Oud nieuws in de verjongingsketel gegooid – Samhain 2012

Logo rubriek Nieuws - Wiccan Rede Online Magazine

Onderzoek bij Stonehenge

Op 18 september was in het Belgische journaal te zien dat mensen van de faculteit Bodemwetenschappen van de universiteit Gent geomagnetisch onderzoek doen op het terrein rond Stonehenge. Door met een speciale buis achter een terreinwagentje rond te rijden brengen ze de bodem in kaart. Zo kunnen ze bijvoorbeeld prehistorische greppels ontdekken. Britse onderzoekers beschikken niet over mobiele elektromagnetische apparatuur. Hierdoor is de bodem nooit goed onderzocht, want doordat het gebied in de jaren zestig/zeventig een festivalterrein was bij popfestivals, zorgt rommel uit die tijd voor te veel ‘ruis’. De Belgische methode heeft hier geen last van.

English Heritage onderzoekt ondertussen de stenen van Stonehenge met lasers. Door dit onderzoek kan meer duidelijk worden over hoe de stenen werden gehouwen en bewerkt. Het is al gebleken dat de verweerde oppervlakte van stenen aan de noord-oostkant van de buitenste ring was weggehaald zodat de stenen glinsterden in het zonlicht. Bij stenen aan de andere kant van de ring is dit niet gedaan. Hieruit valt op te maken dat het noordoosten de kant was waarvandaan mensen het monument bij plechtige processies benaderden. Op deze manier liepen ze in de richting van de ondergaande zon bij de midwinterzonnewende, of hadden ze bij de midzomerzonnewende de opkomende zon achter zich.

Om hedendaagse bezoekers een betere indruk te geven van het leven van de mensen die Stonehenge hebben gebouwd, wil men drie prehistorische huizen nabouwen, werd in oktober aangekondigd. De huizen zullen worden gebouwd door vrijwilligers, met technieken uit de steentijd en materialen waarover men in die tijd ook beschikte.

Dichtung und Wahrheit in Wales

In de BBC-televisieserie over de geschiedenis van Wales kwam begin oktober, in de aflevering over de periode van de Industriële Revolutie, de dichter Iolo Morganwg ter sprake. Hij had aan het eind van de achttiende eeuw Stonehenge bezocht en was hevig geïnteresseerd geraakt in de geschiedenis van de oude Britten. Vooral de rol die Wales daarin gespeeld zou kunnen hebben sprak tot zijn artistieke verbeelding. Hij ontwierp een ‘oud’ schrift en kerfde de letters in houten balkjes, om zo de spreuken van bardische wijsheid vast te leggen die hij bij dat verleden vond passen. Met kiezelstenen maakte hij cirkels op de grond waar hij met gelijkgestemden zelfbedachte druïdische rituelen voltrok.

Het jaarlijkse culturele festival Eisteddfod in Wales gaat in zijn huidige vorm ook terug op Iolo Morganwg. De dichter baseerde zich daarbij weliswaar op historische gegevens, maar blies die een heel nieuw leven in met bardische en druïdische plechtigheden, een welkomstdronk uit de Hoorn des Overvloeds, en dansende meisjes die ‘bloemen van Welshe bodem’ aanbieden.

Magische Paralympics

Moderne druïden speelden ook een rol bij de slotceremonie van de Paralympische Spelen in Londen dit jaar. Er werden gedeelten uit een gorsedd-ritueel (onderdeel van Eisteddfod) van de British Druid Order voorgedragen, waarin de geesten van de vier jaargetijden en elementen werden aangeroepen. Het gorsedd-ritueel was oorspronkelijk geschreven voor een multireligieuze conferentie in Avebury. Tot besluit weerklonk een zegenwens over het “festival van de vlam”. In het veld werd met vlammenwerpers een IJslands magisch symbool aangebracht.

Bij de openingsceremonie was het magische element evenmin geschuwd. De tovenaar Prospero en zijn dochter Miranda uit Shakespeare’s toneelstuk The Tempest kwamen er in voor, en in een rondreis door de kosmos verscheen de natuurkundige Stephen Hawking op de maan om Miranda aan te sporen, nieuwsgierig te zijn en te onderzoeken of dingen die veel mensen voor onmogelijk houden (zoals topsport door gehandicapten), dat ook echt zijn.

Onvermijdelijk werd dit alles door sommigen beschouwd als gevaarlijke satanistische vrijmetselaarspropaganda van de Illuminati. Er verschenen onnavolgbare ‘onthullingen’ op YouTube om dit zogenaamde complot aan de kaak te stellen. In reactie hierop heeft de British Druid Order opgeroepen dergelijke posts als beledigend aan te merken. Niet alleen vanwege belastering van het druïdisme, maar vooral omdat alle deelnemers aan de slotceremonie, onder wie de atleten en de voormalig hospik die de druïdenteksten voordroeg, in de filmpjes als het Kwaad worden afgeschilderd.

Geen mensenoffer

Eerder in het jaar, in juli werden in de buurt van Epping Forest, ten noorden van Londen, anonieme pamfletten verspreid waarin werd beweerd dat de pagans aldaar van plan waren een man uit de streek te ontvoeren “om te gebruiken als onderdeel van hun rituelen”. Behalve offers en ontvoeringen zouden er met Lammas illegale kampvuren en openbare naaktloperij zijn te verwachten. De plaatselijke Guardian sprak met enkele pagans, die het publiek konden verzekeren dat er geen dieren en al helemaal geen mensen zouden worden geofferd, omdat dat geen deel uitmaakt van hun religie. De rituelen voor Lammas zijn veelal gemaskerde en gekostumeerde, dramatische uitbeeldingen van de graanoogst. In het bos wordt vooral gewandeld. De schrijver van een boek over de geschiedenis van Londen en omgeving vertelde dat in Epping Forest al vanaf de prehistorie half-menselijke, half-dierlijke goden met hoorns worden vereerd. Volgens hem zou er ook nu wel naakt rond vuren worden gedanst. De krant begreep zijn uitleg overigens niet helemaal; die schreef over half-gehoornde geiten.

Exorcismeglossy

In Polen ziet men zoveel bovennatuurlijk kwaad, dat exorcisten in de hoofdstad Warschau een wachtlijst hebben van drie maanden. Onlangs werd er bovendien een glossy maandblad uitgebracht onder de naam Egzorcysta (de Exorcist). Het blad telt 62 pagina’s en heeft een oplage van 15.000 (ter vergelijking: het Nederlandse opinieweekblad De Groene Amsterdammer heeft ongeveer hetzelfde bereik en het nieuwe magazine Lekker(W)eten van de biologische winkelketen EkoPlaza heeft een oplage van 17.000). Egzorcysta is geheel gewijd aan het uitbannen van demonen. In de afgelopen vijftien jaar is het aantal officiële (Rooms-katholieke) exorcisten gestegen van vier tot 120, vertelde een Poolse filosofieprofessor annex theoloog en duivelbanner. Hij schrijft de stijging toe aan de overgang van communisme naar kapitalisme: het kapitalisme biedt naar zijn zeggen meer ruimte aan occultisme en daarmee aan demonische activiteit.

Punkexorcisme

In Rusland kreeg de band Pussy Riot bekendheid met het geruchtmakende ‘punkgebed’. Bij het voor vrouwen verboden hoofdaltaar in de kathedraal van Christus de Verlosser in Moskou zongen leden van de band in februari: “Verlos ons van Poetin; heilige maagd Maria, moeder van God, word feminist!” Pussy Riot wilde met de song de verwevenheid van de corrupte Russische regering en de homofobe en vrouwonvriendelijke Russisch-orthodoxe kerk aanklagen. Drie bandleden werden gearresteerd en in augustus veroordeeld tot twee jaar strafkamp (er was zeven jaar geëist). In hoger beroep werd een van de drie vrijgesproken. Cyberpunk-chaosmagiërs riepen op internet op tot magische beïnvloeding van de rechtspraak. Zij beschouwden de vrijspraak als eerste succes.

Vooral buiten Rusland werd er schande gesproken van de hoogte van de straf. Amnesty International organiseerde een actie voor vrijlating van de bandleden. Maar de Russische minister van buitenlandse zaken riep het Westen op, niet zo ‘hysterisch’ te doen, las ik in Trouw, en de correspondent van de Volkskrant wist te melden dat kozakken een vuur wilden stoken om de drie ‘heksen’ te verbranden.

In een essay in de bijlage Letter & Geest van Trouw (op 8 september, feestdag van Maria) schreef Kirsten Notten, priesteres uit de opleiding van Wilde Wijze Vrouw, dat het punkgebed niet godslasterlijk is, maar juist past in een eeuwenoude traditie van opstandige volksdevotie. “De jonge vrouwen van Pussy Riot vragen in hun gebed de patriarch van de Russisch-orthodoxe kerk om in God te geloven, in plaats van in de macht van Poetin. (…) Alleen in de officiële leer van de kerk is [Maria] een gehoorzame en kuise moeder. In de volksreligie en in de feministische bevrijdingstheologie is ze een toevlucht voor mensen die gebukt gaan onder machtsmisbruik. Dat Pussy Riot zich tot de Heilige Moeder richt, laat opnieuw de bevrijdende kracht van Maria zien.”

Blasfemische fallus

In de Filippijnen waren Rooms-katholieken zo boos over een ‘blasfemische’ installatie van kunstenaar Mideo Cruz, dat ze het in brand probeerden te steken. Het kunstwerk heette Poleteismo (Polytheïsme) en toonde onder meer een kruis met een rode, op-en-neerbeweegbare fallus. Volgens Cruz gaat zijn werk over de veelheid aan zaken die we in de moderne samenleving vereren alsof het goden zijn. Afbeeldingen van Mickey Mouse en van het Vrijheidsbeeld maken ook deel uit van de installatie, als symbolen voor de macht van de Verenigde Staten. Het kruis met de fallus was bedoeld als kritiek op het verafgoden van mannen in de patriarchale maatschappij. Poleteismo was elders al eerder te zien geweest, onder meer in New York en Tokio, maar had nergens zulke felle reacties opgeroepen. De directrice van het culturele centrum in Manilla waar het kunstwerk zich nu bevond, noemde de christelijke klachten “religieuze kortzichtigheid”, maar zag zich genoodzaakt de expositie te sluiten.

Niet-fallische vuurboren

In augustus verscheen een wetenschappelijk artikel over een aantal staafvormige objecten van steen en klei uit de steentijd. De voorwerpen waren opgegraven bij Sha’ar HaGolan en Munhata in de Jordaanvallei. Een tijdlang is gedacht dat het fallische cultussymbolen waren maar toen professor Goren-Inbar de objecten in het museum zag, herkende ze de vorm als die van een ‘vuurboor’. Nader onderzoek bracht inderdaad krassen op het puntige uiteinde van de staven aan het licht, waaruit kon worden opgemaakt dat dat gedeelte op hoge snelheid was rondgedraaid in brandbaar materiaal op een ‘vuurplankje’. Er waren ook schroeiplekken aanwezig. Hoger op de staven waren groeven zichtbaar die veroorzaakt konden zijn door het gebruik van een boog om de vuurboren aan te drijven.

Jakhals is wolf

Nog een archeologische herdefinitie: Volgens wetenschappers is de Egyptische dodengod Anubis biologisch gezien geen jakhals maar een wolf. Het DNA van de Egyptische jakhals komt namelijk meer overeen met dat van de grijze wolf dan dat van de gouden jakhals, waarvan men tot nu toe dacht dat het een ondersoort was. Dit is blijkbaar al ouder oud nieuws (januari 2011) , maar ik hoorde het pas eind september in een televisieprogramma, QI geloof ik.

Graf van de zangeres

Rond dezelfde tijd dat Anubis een wolf in jakhalskleren bleek, werd in de Egyptische Koningsvallei een bijzonder graf gevonden. Het is het eerste nog ongeplunderde graf sinds de ontdekking in 1922 van het graf van Toetanchamon door Howard Carter. Omdat de politieke situatie in Egypte in januari 2011 erg onzeker was, werd het archeologische onderzoek stilgelegd en pas een jaar later hervat. In juni dit jaar zijn de belangrijkste bevindingen gepubliceerd.

Het graf was dat van de ‘zangeres van Amon’ Nehemes-Bastet. Zij was een priesteres in dienst van de god Amon, maar stond onder bescherming van de Goddelijke Moeder Bastet, de kattengodin en beschermster van Beneden-Egypte. Muziek en zang speelden een belangrijke rol in de oud-Egyptische godsdienst. Priesteressen zoals Nehemes-Bastet maakten ritmische muziek met de menat, een kralenketting waarmee ze rammelden, en het sistrum, een soort ratel die een geluid maakte als wind die door papyrusstengels blies. Andere muzikanten bespeelden trommels en snaarinstrumenten. Hoe de muziek klonk, is niet bekend.

De zangeres-priesteres is tussen 945 en 715 v.C. in het graf gelegd. In deze tijd, de Derde Tussenperiode, waren de hoogtijdagen van Egypte lang vervlogen. Vergeleken met grafgiften uit eerdere perioden was de uitzet die deze hooggeplaatste dame naar het hiernamaals meekreeg sober. De kwaliteit van de materialen was wel hoog. Het graf zelf dateert uit de achttiende dynastie, tussen 1539 en 1292 v.C. Nader onderzoek moet uitwijzen of er nog iets terug te vinden is van de persoon die in die eerdere periode in het graf is gelegd. Ook zal de mummie van Nehemet-Bastet met een CT-scan worden onderzocht.

Een fluit voor Demeter

Muziek maakte ook deel uit van de plechtigheden voor Demeter. Dit valt op te maken uit de vondst van een kleine benen fluit uit circa 570 v.C. in een antieke tempel op Sicilië. Samen met de fluit werd een vaasje gevonden. Waarschijnlijk vormden de fluit en het vaasje een offergave aan de godin. Op het terrein rond de tempel zijn ook potscherven gevonden en een kruik uit circa 650 v.C. met afbeeldingen van grazende dieren. Deze vondsten wijzen er op dat de tempel de oudste is in die regio.

Jongensamuletten

Op het eilandje Yeronisos, letterlijk: ‘Heilig Eiland’, bij Cyprus zijn tweeduizend jaar oude amuletten gevonden, werd begin augustus bekendgemaakt. Op de amuletten zijn jongensnamen geschreven. Men denkt dat kleine jongetjes de amuletten droegen tijdens overgangsrituelen, zoals bij de overgang van borstvoeding naar vast voedsel. De vondst van een onaf amulet, nog zonder gaatje om het aan een koordje te hangen, doet vermoeden dat de amuletten op Yeronisos werden gemaakt.

Tijdens de laat-Hellenistische periode (325-58 v.C.) was op het eiland een heiligdom gewijd aan Apollo. Schelpen met schrijfoefeningen in een kinderlijk handschrift doen vermoeden dat er ook een jongensschool was. Een rond platform in het noorden van het eiland was waarschijnlijk bestemd voor dansen ter ere van Apollo. Het leren van deze dansen behoorde tot de opvoeding van jongens.

Museale afgoderij

In het streng-islamitische Saoedi-Arabië moet men niets hebben van oude goden. De argwaan jegens alles wat ook maar in de verte zou kunnen doen denken aan respect voor iets anders dan de God van de wahhabieten, gaat zo ver dat “alle tastbare sporen van de geschiedenis, zelfs die van de eerste moslims” (schreef een correspondent van The Guardian in augustus) zijn vernield. Het is dus wel heel bijzonder dat er nu in de plaats Rass een klein museum is gewijd aan dingen uit het verleden. Pre-islamitische maangodinnen zijn er niet te bewonderen, maar wel oude zwaarden, geweren en tapijten. Jongemannen komen naar het museum om te leren over de tradities van het koffiezetten. Twee plaatsen in het land, de overblijfselen van de stad Ad-Dir’iyah en van de oase Al-Hijr staan op de Unesco-lijst van werelderfgoed en men probeert de haven van Jeddah daar als derde bij te voegen. De journalist van The Guardian hoopt dat dit wijst op een kentering in de mentaliteit waardoor op den duur ook het voorislamitische verleden erkend zal worden.

Op Facebook circuleerde een tijdje het gerucht dat fundamentalistische moslims de piramiden wilden slopen. Dit bleek niet waar te zijn. Een salafistische sjeik in Egypte verkondigde zelfs via Twitter dat het bezoeken van musea, piramiden en oude Egyptische tempels een goede zaak was, schreef Eildert Mulder in Trouw. De gelovigen kunnen daarmee zien dat niemand meer gelooft in de oude goden: hun magie is uitgewerkt. Maar Boeddhabeelden en mausolea van soefiheiligen deugen dan weer niet volgens de sjeik. Als die worden vernield, keurt hij het niet af.

Wat ervan waar is en wat niet, is vaak niet goed uit te maken. Duidelijk is wel dat er een propagandastrijd gaande is waarin oude goden als pionnen worden ingezet. In Marokko beschuldigt een Berber-organisatie de salafisten ervan, dat die in de Yagourvallei van het Atlasgebergte 8000 jaar oude rotstekeningen van de Zon als heidense godheid hebben vernield. De regering van Marokko spreekt dit tegen.

Precolumbiaans nieuws

Begin oktober kwam het nieuws dat het stadion bij de tempels van Chichen Itza, waar de Maya’s hun rituele balspel speelden, was voorzien van observatietorens om de zonnewendes en equinoxen te kunnen waarnemen. Mogelijk werd hier bepaald op welke dagen het spel gespeeld moest worden. Het kan ook zijn dat het werd gebruikt als kalender voor de landbouw. De torens bevonden zich op lage gedeelten van de muur om het speelveld heen. Ze waren voorzien van een smalle opening, hoog genoeg om rechtop in te kunnen staan. Op het moment dat de zon met midwinter de horizon raakte, viel het zonlicht door zo’n gleuf. Trappen leidden naar het speelveld en de torens. Het bouwwerk dateert uit de negende eeuw en is in de daarop volgende eeuwen in verval geraakt, maar wordt nu gerestaureerd.

In Guatemala, niet ver van de Mexicaanse grens, is bij de opgravingen van El Perú-Waka’ het zevende-eeuwse graf gevonden van een van de belangrijkste Mayakoninginnen, de Vrouwe K’abel. Men wist al langer dat hier een belangrijke vrouw lag begraven, maar het graf kon in oktober dit jaar aan deze koningin worden toegeschreven door de vondst van een albasten potje waar haar officiële naam ‘Vrouwe Waterlelie-hand, Vrouwe Slangenheer’ op stond. Vrouwe K’abel was behalve koningin ook hoofd van het leger en daarmee hoger in rang dan haar echtgenoot, koning K’inich Bahlam II.

De precolumbiaanse culturen van Mexico en Midden-Amerika, schreef Cees Zoon in De Groene Amsterdammer, kenden waarschijnlijk allemaal het rituele stoombad. Bij de Náhuatl was het een ritueel van Temazcalteci, godin van de genezers. Cees Zoon onderging in Mexico een moderne uitvoering van het precolumbiaanse stoombad. Het stoomhuis heeft de vorm van een iglo en symboliseert de schoot van Moeder Aarde. Wie de hitte en vochtigheid tenslotte verlaat, voelt zich herboren.

Nog niet verdwenen

En vervolgens moet er geleefd worden. Het bewandelen van de wegen van een labyrint is ondermeer “een metafoor voor de levensloop”, legt kunstenaar Klaus van de Locht uit op de website van het Labyrinth op de Waalkade in Nijmegen. Omdat de damwand daar is verzwakt, wil de gemeente de kade vernieuwen en er meteen een wandelpad aanleggen, en iets waar passagiers van cruiseschepen kunnen uitstappen om naar tourbussen te gaan. Dit zou betekenen dat het Labyrinth gesloopt moet worden. Het zou eventueel op een andere plaats opnieuw kunnen worden opgebouwd, dacht de gemeente aanvankelijk, maar volgens de kunstenaar is er op die alternatieve plaats onvoldoende ruimte. Inmiddels lijkt verplaatsing niet meer aan de orde en gaat het over sloop.

Veel mensen komen al jarenlang, met of zonder kinderen, naar het Labyrinth om er meditatief te wandelen of te spelen. De gedachte dat een kunstwerk dat voor velen zo waardevol is, zomaar kan worden gesloopt roept emotionele reacties op: “Wie dit bedacht heeft moet is maar eerst eens bij zichzelf te rade gaan door een wandeling in het Labyrinth te maken en met Ariadne tot inkeer te komen,” is te lezen op de Facebookpagina ‘Red het Labyrinth Nijmegen’, en ook: “Heeft de gemeente enig idee hoe uniek het is dat er een vrij toegankelijk labyrinth ligt? (…) Het labyrinth mag echt niet verdwijnen, desnoods ga ik voor de bulldozers liggen! Het is voor mij met depressie en gegeneraliseerde angststoornis van levensbelang dat ik regelmatig over dat labyrinth heen kan lopen!” De Nijmeegse zanger Paul de Graaf schreef een protestsong over de kwestie.

Ook bedreigd in zijn voortbestaan is het milieucentrum De Twaalf Ambachten, stond begin oktober in Trouw. De rondleidingen, ecologische adviezen en de verkoop van tegelkachels en GFT-toiletten leveren niet genoeg meer op. Het terrein (met woonhuis) in Boxtel staat te koop. Op internet kan ik hierover niets terugvinden.

Nieuw! Oude wijsheid

Het woord ‘mythosofie’ klinkt net als ‘De Twaalf Ambachten’ naar iets met wortels in de jaren zeventig, maar als ik het goed begrijp is het recentelijk bedacht door Lisette Thooft. In elk geval werd pas dit jaar, in oktober, in Amsterdam de Kring voor Mythosofie opgericht. Initiatiefneemsters Mieke Bouma en Lisette Thooft hopen dat er “door middel van workshops, lezingen, literatuur uitwisseling, filmavonden, reisjes, debatten en nog veel meer” (tekst uit de aankondiging) meer aandacht komt voor de wijsheid in sprookjes en mythen. Maar ook in films, want films zijn volgens Mieke Bouma de mythen van nu. “Het gaat om een verlangen naar eenheid en geluk,” zei ze in VolZin. “Die verhalen helpen je, zeker wanneer je in een crisis belandt.”

Lieette Thooft vertelde in Trouw dat mythosofen naar de betekenis van sprookjes zoeken vanuit een symbolisch bewustzijn. Zelf houdt ze zich nu bezig met de betekenis van de heks in sprookjes: “Waar staat een heks voor? (…) De vrouwelijke macht is veel griezeliger dan die van de man. De mannelijke macht is als een reus. De vrouw is veel manipulatiever…”

De Kring voor Mythosofie is zowel voor mensen die in hun beroep met verhalen werken, zoals therapeuten en coaches, als voor niet-professioneel geïnteresseerden.

Geplaatst in Nieuws | Getagged , , , , , , , , , , | Reacties uitgeschakeld voor Oud nieuws in de verjongingsketel gegooid – Samhain 2012

Review / announcement ‘Diary of a Sorceress’ / Diario de una Hechicera

Monica Demes: I am an independent filmmaker who lives in Madrid and I have finished a documentary in Spain. It was shot in Glastonbury and is about paganism. It’s called DIARY OF A SORCERESS. We had the collaboration of Reclaiming Spain and PFI Spain, amongst others. It had its premiere in the USA, at the Pagan Spirit Gathering, one of the biggest pagan events of America.

Diary of a Sorceress traces the path of the filmmaker on her path as a Wiccan and speaks about the important messages of self-empowerment and the reclaiming of personal power that this movement provides.

Featuring interviews with Starhawk, Morgaine Sheluxx, Halo Quin, Guadalupe Cuevas, Javier Artime and many others, Diary of a Sorceress is a heartfelt and sincere expression of the importance of the lessons Wicca and Pagan traditions have to bring to a broader society.

The English version can be downloaded at http://www.diaryofasorceress.com
English review: http://haloquin.net/2012/05/16/diary-of-a-sorceress/
American screening: http://www.circlesanctuary.org/psg/premiere/
Our trailer in YouTube: http://www.youtube.com/watch?v=CvuOuvnKuV0

Geplaatst in English articles, Recensies | Getagged , , , , | Reacties uitgeschakeld voor Review / announcement ‘Diary of a Sorceress’ / Diario de una Hechicera

The queen of Night

The queen of Night

The bounty of harvest has been brought in
The nights are longer, leaves’withering
There is a chill in the night wind
Summer we leave behind’

The old one is coming
The wind tells of the song’s she’s singing
Darkness tightens in the night
Moving ever onwards, succumbing the light

The howl of a wolf can be heard in the distance
The leaves twirl in the dark for a last summer’s dance
The earth trembles at the feet of the old one
She hums in the night cause her reign has come

Where She treads the light fades
A tide of night cascades
From her hands old as time
And She brings us a story in rhyme’

‘Don’t ye be afraid of the coming time
I bring you insights sublime
For I see into your soul like a book
I know every cranny and nook
I bring you the mysteries of the unseen
In the dark of the night I am your Queen
‘When I come oh my younglings
With darkness I bring light on your inner tidings
Do not fear the dark or My presence
For only I guide you to your Essence
I am the One who all will meet
Destiny ends right here at my feet”

Poem with a picture background

Geplaatst in Gedichten / Poems | Getagged , , | Reacties uitgeschakeld voor The queen of Night

Recensie: Blijvend meer energie volgens de vijf elementen

Voorkant van Blijvend meer energie volgend de vijf elementen
Jeanine Hofs

Blijvend meer energie volgens de vijf elementen
A3 boeken. 160 p. A5. ISBN 9789077408957. € 17,50

Met dit boek vol informatie, tips en oefeningen, kun je op een verrassende en relatief eenvoudige manier meer energie krijgen én houden.

Ben jij vaak moe? Heb je allerlei vage klachten of zit je gewoon niet lekker in je vel? Dan is jouw energie uit balans geraakt. Pas als je de balans herstelt, zul je weer fit en vitaal worden. Een goede energiehuishouding betekent niet alleen dat je niet moe bent, maar ook dat je snel herstelt van mindere momenten zoals een paar dagen véél te hard werken, een knieblessure of emotionele stress. Als je energie in balans is, dan heb je ook het vermogen te herstellen. Soms gebeurt dit herstellen als vanzelf in een natuurlijk proces, zonder dat je er bewust mee bezig hoeft te zijn en soms moet je zelf in actie komen om te corrigeren.
De belangrijkste technieken om de energie weer in balans te brengen zijn de oude oosterse technieken van de TCM (Traditionele Chinese Geneeswijzen). Een belangrijke rol spelen de elementen Vuur, Aarde, Metaal, Water en Hout. Alle energie is namelijk te verdelen in de vijf elementen en stroomt daar in een natuurlijke beweging doorheen. Als de energie vloeiend met deze bewegingen mee stroomt, dan heeft dit een gunstig effect op ons hele gestel, zowel fysiek als niet-fysiek (psyche, emoties, gedachte, etc.). Dan ben je fit, emotioneel in balans en zit je gewoon lekker in je vel.

In dit boek legt Jeanine uit hoe je gebruik kunt maken van de vijf elementen. Welke rol ieder element in jouw energiebalans speelt en wat dit voor jou betekent. Welk effect het heeft op je lichaam, emoties en gedachten. Hierdoor krijg je inzicht in je energiebalans en hoe je die zelf kunt verbeteren. Zie het boek als een koffer vol gereedschap, waarmee je zelf kunt sleutelen aan je probleemgebieden. Met checklists en voorbeelden, zodat je jouw knelpunten en blokkades kunt opsporen, en met concrete tips en oefeningen om meteen aan de slag te gaan. De ene week zal dat iets heel fysieks zijn en de andere week iets niet-fysieks, iets wat betrekking heeft op een emotie, gedachten, intenties of automatische (onbewuste) patronen.

Recensie Serotia:

Tijdens de Levenskunstbeurs, afgelopen mei, woonde ik een lezing van Jeanine Hofs bij. Zij sprak over de vijf elementen en de onderlinge samenhang. Dat sprak mij heel erg aan. De reguliere geneeskunde denkt wat dat betreft in hokjes, er wordt behandeld op het probleem, niet de oorzaak. De Chinese geneeswijze leert ons dat alles in verband staat met elkaar en kijkt verder in het lichaam naar de eventuele oorzaak van de klachten.
Tijdens de levenskunstbeurs heb ik bij Jeanine een korte intake gedaan. Aan de hand van een aantal vragen, het bekijken van mijn tong en het voelen van mijn pols, kon zij een redelijke diagnose stellen en aangeven waar mijn probleem zat.
Ik ben begonnen te lezen per element wat het voor mij doet, en wat er verkeerd gaat. Uiteindelijk heb ik besloten om naar een acupuncturist te gaan om mij te laten begeleiden en behandelen.
Uiteraard heb ik ook bij hem een intake gehad en hij kwam met dezelfde conclusies als Jeanine. Hij diepte het uiteraard nog verder uit en startte een behandelplan. Van hem ben ik veel wijzer geworden over het yin/yang in mijn lichaam, de leegtes en tekorten. Ik ben een paar maanden onder behandeling geweest nadat mijn galblaas verwijderd was, omdat ik de energie weer wilde herstellen in mijn lichaam. Ten slotte is het niet alleen fysiek kapot, maar ook energetisch. Maar je krijgt ook niet voor niets galstenen, ergens in die vijf elementen gaat er iets fout. Het is fijn dat hij met naalden een hoop kan herstellen, maar je moet vooral uitkijken dat je niet weer in dezelfde valkuil terecht komt. Als je namelijk niet weet waar de oorzaak ligt, kan je er ook niet aan werken. En ook al weet je het, wat doe je er dan zelf aan. Hoe kan ik zelf mijn lichaam helpen? En daar kwam het boek weer van pas. Als je hier en daar een tekort/teveel hebt, kun je je voeding hierop af stemmen. Het boek legt uit wat je beter wel en wat niet kan doen. Niet alleen fysiek, maar ook een psychisch. Want naast bijvoorbeeld voedingsadvies en een goede uitleg over de elementen en het samenspel, staan er ook oefeningen en affirmaties in om met jezelf aan de slag te gaan. Je krijgt inzicht in jouw lichaam. Het boek is dus voor mij een extra steun naast mijn behandelingen, het leert mij begrijpen. Maar ook al ga je niet naar een acupuncturist, dan nog biedt dit boek je een flink handvat om met jezelf aan de slag te gaan en oplossingen te zoeken en vinden voor jouw problemen, zowel lichamelijk als psychisch.

Geplaatst in Boeken, Recensies | Getagged , , | Reacties uitgeschakeld voor Recensie: Blijvend meer energie volgens de vijf elementen

De Herfstgedichtenwedstrijd


In de afgelopen maand kon iedereen die Wiccan Rede Online volgt via Facebook of het Silver Circle-forum meedoen aan de Herfstgedichtenwedstrijd. We waren blij verrast om binnen enkele dagen al heel wat gedichten te ontvangen. Uiteindelijk zijn er 25 prachtige en inspirerende gedichten binnengekomen.

Het is ook geweldig om te zien hoe iedereen zijn creativiteit de vrije hand heeft gelaten. Allerlei verschillende stijlen en variaties op het thema kwamen voorbij. We lazen over de oogst en over appeltaart, over Samhain en afscheid nemen van het licht. Sommige zijn ontroerend en andere kenmerken zich weer door een humoristische invalshoek. We willen we dan ook alvast iedereen bedanken voor hun bijdrage aan de wedstrijd. We willen graag de lezers van Wiccan Rede Online die de gedichten nog niet hebben gelezen er op wijzen dat deze te lezen blijven op de Wiccan Rede Online Facebookpagina .

Zoals wij hebben aangegeven is er vanuit de staf een jury gevormd, deze heeft vrijdagavond met elkaar om de tafel gezeten. Daarbij werden ook de publieksstemmen meegenomen.

Als jury hebben we vooral gekeken naar het ‘gevoel’ dat een gedicht bij ons overbracht. Ook was originaliteit voor ons een belangrijk criteria.

Uiteindelijk kwamen we op een punt waar er drie gedichten overbleven. Daar werd het toch erg moeilijk voor ons om de uiteindelijke winnaar kiezen. Daarom hebben we uiteindelijk besloten om deze alle drie te plaatsen. Twee daarvan als gedeelde tweede plaats, ofwel een ‘eervolle vermelding.‘

De top-3:

Odette Sprong: The queen of Night
Zij schreef een gedicht ‘klassieke stijl’. Het taalgebruik en de sfeer van het gedicht roepen de nostalgie op van wiccaschrijvers van het eerste uur, zoals Doreen Valiente. Een gedicht dat je meevoert naar mysterieuze werelden en je in contact brengt met het oeroude gevoel van Samhain.

O Nyx Nothingniente: De felle kleuren van de dood
O Nyx’ gedicht was heel populair onder het publiek. Het kenmerkt zich door originaliteit en eigenzinnigheid. Een gedicht dat recht uit het hart lijkt te komen, omdat het zo puur en eerlijk geschreven is. O Nyx heeft geen traditie of conventie nodig, zij haalt de inspiratie duidelijk rechtstreeks uit de natuur en haar zelf.

De uiteindelijke winnaar van de gedichtenwedstrijd stond qua publieksstemmen zo ongeveer gelijk met het vorige gedicht. Dit gedicht wist zich te onderscheiden doordat het origineel en vernieuwend is; tegelijkertijd beschrijft het ook een traditioneel Samhain-thema, dat nog steeds terug is te vinden is in de folklore van verscheidene Europese streken. Het gedicht is uitdagend en geeft tevens een heel aards en huiselijk gevoel zoals we dat vaak bij traditionele gebruiken ervaren.
Dit is waarom we hebben gekozen voor het gedicht van Mirjam van der Woud: Bloedworst!

Bij deze willen we haar en de andere finalisten feliciteren met deze uitslag!

Bliss.

Geplaatst in Artikelen | Getagged , , , | Reacties uitgeschakeld voor De Herfstgedichtenwedstrijd

Volle maan van de Klif 2011


21 September 2012

Vandaag begint de herfst! Mijn favoriete jaargetijde! Net geleerd dat dat bekeken vanuit de Maya-kalender helemaal klopt. 104 dagen voor je geboortedag begint voor jou je krachttijd… en dat is voor mij 1 oktober. Aankomend jaar op 14 januari mag ik zelfs aan mijn tweede cyclus beginnen… ik mag weer mijn leven opnieuw ervaren… maar nu met de wijsheid van een 52-jarige vrouw! Terug naar mijn onbevangen kindertijd… weg met aangenomen beperkingen! Mezelf aangepraatte ‘do’s and don’ts’ (opeens denk ik aan de tatoeage die voor mij ontworpen is… een platgemept elfje… als een mug. Maar ik ben tegen tatoeages… toch?… de twijfel slaat mij om het hart, zo herkenbaar opeens!)

Wat past het toch weer prachtig in elkaar. De ‘Volle maan van de Klif ‘ staat ook voor het opruimen van oude emoties… volgens mij heb ik weer heel wat te ruimen de komende tijd. Een heleboel ouwe zooi kan overboord.

Vandaag mag ik de as van mijn oude katten in de tuin uitstrooien… ik vind dit zeker geen oude zooi! Maar wel een afsluiting van een tijd. Rakus (Koes) is anderhalf jaar geleden ingeslapen en Gipsy (Pieps) op 7 augustus. Nu mogen ze samen de tuin in. Vanavond komt onze nieuwe kat, Pinkeltje. De probleemkat van een vriendin van ons… dominantieprobleem. Hier kan hij alleen zijn en zal het probleem waarschijnlijk ophouden te bestaan… gaan we vanuit.

Ik heb taart gekocht, want het is feest… Pinkeltje komt! Een mooie herfsttaart met bramen, voor hopelijk een hele goede tijd samen.

De bomen beginnen al te kleuren, zo langzaamaan komt de herfst op gang. Leert de natuur ons weer los te laten… net als de blaadjes aan de bomen. Alle smuk valt weg en we gaan terug naar de essentie. Kleuren veranderen van groen naar rood en geel… vooral veel geel. De scheidende zon geeft zo een laatste groet, tot volgend jaar!

Bij de Kelten was dit het begin van het jaar. Het loslaten en terug keren tot de essentie… duisternis. In het donker begint het leven, lang voordat het het licht aanschouwt. De donkere tijd van het jaar is aangebroken, de tijd van kaarsen en herfst en- winterfeesten. Van samen zijn en eten… veel eten! Want de oogst is binnen en mag niet bederven, dus nu bunkeren! In het voorjaar zullen we op een houtje bijten, de tijd van het vasten… niet zo moeilijk want er is niets meer te eten. Ja, vroeger was dat misschien zo… nu hebben we de supermarkt.

Maar de essentie van het leven wordt wel gevierd in deze tijd… het samen zijn! De eerste levensbehoeften zijn binnen, het werken is gedaan… nu is de tijd om samen te zijn en het leven te vieren in zijn essentie. En de essentie is dat we verbonden zijn, verbonden met elkaar… in familieverbanden en/of vriendengroepen.

Deze tijd is altijd een tijd van vieren geweest. Ik voeg voor de belangstellenden een linkje (wat is dat toch heerlijk met een online editie) naar de Eleusische mysteriën bij. Het feest van de aarde en haar duisternis… zowel van het slapende zaad als van het graf… van conceptie en voltooiing.

Ik neem jullie nu mee naar vorig jaar. De tijd dat mijn huis geschilderd werd… wat gaat de tijd toch snel!

10 November 2011 Volle maan van de Klif

Thema: Ruim oude emoties op
Indiaans Sjamanisme: Fiere vrouw

Het is onderhand een week geleden dat ik heb gewandeld. Ik ben op de 11e gaan wandelen, want de 10e was het zó koud en mistig… en dat niet alleen, de voordeur en keukenramen moesten open staan om te drogen. De schilder had de laatste hand aan ons buitenwerk gelegd en nu moest het drogen… met die mist en kou. Ik was op de bank gekropen met een dekentje en het gordijn (in plaats van een kamerdeur heb ik een velours gordijn in de deuropening) dicht getrokken. Ik kon dus niet weg en vond dat helemaal niet erg.

De volgende dag ben ik ’s ochtends gaan wandelen… ik was in een vreemde, wat sippe mood. Zo’n in mezelf gekeerde trieste mood… zo’n ouwejaars-mood… weemoed. Thuis was het koud want ook nu was de schilder weer bezig met de voordeur en keukenramen… de laatste laag verf. Ik was min of meer m’n huis uit ‘gevlucht’, als ik koud ben kan ik beter gaan wandelen… toch?

De mist trok langzaam op en een prachtige dag ontvouwde zich.

Ik ben een stukje bos gaan besnuffelen dat ik gewoonlijk voorbij loop. Het ene stukje is een walkant die aan de rand van het bos ligt en dus het begin is van mijn wandelingen in het bos, en het andere stukje is een wegberm/strookje bos dat aan de haven ligt. Hier wordt veel rommel in gedumpt… liever kijk ik hier niet naar, loop ik door naar het mooiere gedeelte van het bos. Bij elkaar is het nog geen 200 meter bos… en ik ben zowaar vier uur aan de snuffel geweest. Prachtige macrofoto’s gemaakt en wel veertig verschillende paddenstoelen en schimmels ontdekt en vele gefotografeerd.

Wat was dat heerlijk! Voor de rest van de dag ook weinig uitgespookt… een lummeldag.

Het was en bleef helder. Om 19.00, al heel vroeg voor mij, in de auto gestapt en naar het bos gereden. Vorige maan had ik de hoop uitgesproken dat ik deze keer misschien weer vanuit huis zou kunnen wandelen… had gekund 🙂 Met mijn knie gaat het al veel beter… alleen is het wel lekker makkelijk, de auto.

Ik parkeer de auto bij de grote plas, de maan schijnt zo helder in het water dat ik er met gemak een foto van kan maken… de maan, de weerspiegeling in de plas en de hoge Ratelpopulieren, prachtig!

Ik keer de maan m’n rug toe en begeef me op pad, richting bos. Wat heb ik er een zin in… wat een verschil met gisteren. Bij het weiland roep ik ‘Luca’, mijn staartloze meewandelkat. Hij laat zich niet zien… de hele avond niet.

Ik besluit de weg naar ‘Boompje’ in te slaan. ‘Boompje’ is mijn wijze vriend… een wilgetakje dat op sterven na dood is… wat klinkt dit vreemd. ‘Boompje’ was namelijk, toen we elkaar leerde kennen, een iel knotwilgje in een knotwilgenlaantje met allemaal struise knotwilgen. Hij had maar aan één kant schors, de andere kant liet zijn kwetsbare kern zien. Ik had direct een band met hem, dit is al heel wat jaartjes geleden. Ondertussen is hij tijdens een storm, twee jaar geleden, omgewaaid en vlak boven de grond afgebroken. Hij is wel weer uitgelopen… maar ook deze uitloper is weer voor de helft van schors ontdaan. Ik ben bang dat hij het op gaat geven. Het is ook zo moeilijk om als uitloper groot te worden in een gebied dat door een schaapskudde begraasd wordt.

Als ik bij ‘m ben pak ik zijn takje… ”Kneus” krijg ik door. Kneus? Ik sta een beetje vreemd om me heen te kijken… kneus? Dan zie ik dat ik mijn handschoenen nog aan heb… sufferd. Ik maak altijd contact met m’n blote handen 🙂 Alhoewel “Kneus” wel erg duidelijk was. Als ik m’n handschoenen uit heb en zijn takje omvat, krijg ik “Wortels”. Direct denk ik aan hem, hij trekt zich nu terug in z’n wortels… het is winter aan het worden. Veel stam heeft hij niet om zich in terug te trekken. Ook voor mij is het een tijd van naar binnen keren… naar m’n wortels gaan.

“Durf je de zomerenergie, het voedende vuur, los te laten? Durf je de controle die dit lichtgevende vuur je geeft los te laten?” “Durf je de diepte in te gaan en geduldig te wachten op de wedergeboorte van je ziel in een nieuwe cyclus?”

Dit geldt voor ons beiden, voor ‘Boompje’ en voor mij 🙂 Zo mijmerend loop ik het maanlicht overgoten bos in. Bang ben ik al geruime tijd niet meer. Het bos is zó vertrouwd en verstild. Ik geniet van het maanlicht dat op de paden valt en speelt tussen de takken. Het geritsel van de laatste bladeren aan de takken. Het tikken van de takken tegen elkaar, het is allemaal zó vertrouwd. Voorheen kon ik angstig worden als ik geritsel en getik hoorde… nu weet ik wat dit is.

Het bos is zompig, gelukkig loop ik altijd met mijn hazelaarstaf. Om niet vast te komen zitten in de modder moet ik regelmatig even door het bos, om de blubberpaden te ontlopen. De staf is dan zó handig… om te prikken in de grond en de takken voor m’n gezicht weg te houden, en een hulp bij het klimmen over omgevallen bomen. In dit bos mag alles blijven liggen 🙂 en zodoende stikt het hier van de paddenstoelen, een genot!

Op een prachtige lichte plek in het bos bedank ik de vier windstreken en de vier elementen, voor wat ze me geleerd hebben het afgelopen jaar. Vooral vuur… het kunnen delen van mijn passie in het leven doet me goed. En daar heb ik emotie (water) en communicatie (lucht) bij nodig… en dat alles op een mooi bedje van aarde :-). Als ik zo staat te praten, realiseer ik me dat me een voorstel tot radio maken is gedaan… het voorstel zit al een tijdje te rommelen in mij. Het voorstel kwam omdat ik wat commentaar had op de uitvoering… en toen was het zo van… wil jij het dan niet zelf doen. Poeh, ja… samen met een vriendin, die het voorstel al had gehad en geïnterviewd werd door dat radioprogramma en zodoende luisterde ik. En nu realiseer ik me, hier in het bos… dat ik deze kans niet moet laten liggen. Ik had toch wat te vertellen zei ik vorige keer, op de Heuvel van de Barden.

Dus, hup gelijk gebeld met mijn vriendin en gevraagd of zij het samen met mij zou willen… nu laten we dit even bezinken en zal ik binnenkort contact opnemen met de radio baas 🙂 Ik wil dan een opzet hebben van wat ik zou willen… leuk!

Na mijn vriendin gedag te hebben gezegd… verstil ik weer. Wat is het stil in het bos… ik besluit langs de bosrand te wandelen in plaats van de dijk op te lopen. Als ik stil sta om de avond op me in te laten werken, schiet er vanuit de waterkant een vos weg, richting bos. Op nog geen drie meter schiet hij voor me langs. Waarschijnlijk had hij zich stil gehouden toen hij me zag aankomen… maar toen ik stil ging staan werd het hem te benauwd, of het water in of het bos 🙂 En ook nu schrok ik niet, alleen verwondering over deze ontmoeting… een close encounter. De brede sloten zijn ze aan het uitbaggeren geweest en overal in het bos is activiteit… het moerasgedeelte hebben ze omgewoeld, zo lijkt het in ieder geval in het donker. Een stukje land waar ook de zonnedauw groeide, ik snap het niet… in de grond zitten allemaal voren. Op zich zit er een goed beheer op dit bos… dus het zal wel goed zijn… de vos kan in ieder geval makkelijk bij de sloot om iets te drinken 🙂

Als ik weer verder loop vliegen er een paar eenden op vanuit de sloot… wat een herrie maken die. Veel gekwaak en misbaar…wat een opschudding! Als dat maar geen (of juist wel) vooruitzicht is van mijn eventuele radiowerk.

Als ik terug loop naar de auto gebeurt er weinig meer. Ik hang nog wat over het hekwerk van de weilanden… de maan schijnt zó mooi. Ik besluit toch maar gewoon richting huis te gaan… de 11e van de 11e 2011… een speciale dag, de eerste dag van het nieuwe jaar. Wat zal me dit jaar brengen?

Ik stel me er voor open en grijp m’n kansen 🙂

Liefs, Loes.

Wespspin. Foto Loes.

Wespspin. Foto Loes.

Het radiowerk is het niet geworden, realiseer ik me nu. Mijn vriendin kwam in een vervelende tijd voor haar terecht en is naderhand verhuisd. We wonen nu te ver van elkaar om iedere maand een radioprogramma te maken. Maar binnenkort zal ik wel geïnterviewd worden door het radiostation, grappig om het één en ander zo te bezien na een jaar 🙂

En ook het omgewoelde bos is afgelopen jaar weer prachtig teruggekeerd! De libellen en zeldzame wespspinnen zitten er nog 🙂 Ook hier is soms rigoureus opruimen gezond… het geeft even een rotzooi en dode tijd, maar wat er dan kan ontluiken!

En zo is het met ons leven ook, de brembezem (boom van deze maan) erdoor en laat de raaf (vogel van deze maan) de resten verorberen. Laten we ruimte maken voor vernieuwing… de hele maatschappij schreeuwt er om! We leven in een steeds snellere tijd van vernieuwing en ik mag daar op 14 januari ook deel vanuit gaan maken, mijn nieuwe levenscyclus van 52 jaar! En nu, op 1 oktober, mag ik daar de kracht al van gaan voelen… ik ben benieuwd!

Maar nu eerst de taart voor ‘Pinkeltjes binnentreden in ons leven’ uit de koelkast zetten… want we hebben wat te vieren! Voor mijn vriendin een ‘loslaten’ voor ons een ‘verwelkomen’.

Pinkeltje… staat voor klein en herinneringen uit mijn kindertijd, toeval bestaat niet… welkom Pinkeltje en welkom nieuwe cyclus! Welkom leven!

Joeghei! Gelukkig Nieuwjaar!

Geplaatst in Artikelen, Volle Maan Wandelingen | Getagged , | Reacties uitgeschakeld voor Volle maan van de Klif 2011

The Apollo Temple of Didyma

 

 

The Temple of Apollo, Didyma

The Temple of Apollo, Didyma

(Morgana, June 2012)

This is an article about the magnificent Temple of Apollo at Didim / Didyma, Turkey. It is part of a series of articles to complement From Hekatesia to Aphrodisias and the journey I (Morgana) made in Turkey in June 2012.

I found this article in 2005 after my first visit to Bodrum and to my surprise it is still available on internet. It contains such good information I felt it was worth publishing it here, with the photographs I took when I went back this summer.

The connection with Apollo and Artemis is clear. Unfortunately although the Temple to Apollo has been restored and is open to the public, the Temple to Artemis isn’t. I asked if there were plans for further excavation but got no real answers.

David Meadows wrote in August 2010: Temple of Artemis at Didyma?
“The English version of this one has lost something in translation … it appears to suggest that there might be remains of a temple of Artemis at Didyma, which is something that has long been the subject of scholarly debate. We really need to get some decent English coverage of this.”

GERMAN archaeologists are looking at a new find which could suggest a second temple close to the Temple of Apollo. They have extended their excavations away from Apollon and have discovered a wall which they consider to be part of another temple – maybe that the Temple is for Artemis – the twin of Apollon.

Representative of Ministry of Culture and Tourism Ferhan Büyükyörük said: “An illegal dig was done in the area previously, which revealed the remains of a wall.

“The excavations team is searching this year to see if there is more to the wall and if it belongs to a structure. Its size and location suggests a building to the south of this wall. Didyma means twin; Apollon was the twin brother of Goddess Artemis.

“This wall might belong to an Artemis Temple. We will see what the excavations unearth.”  The works will continue until September.

The original article ‘The Apollo Temple of Didyma’ can be found here: http://www.adiyamanli.org/didyma.html).

***

Also called DIDYMI, or BRANCHIDAE, ancient sanctuary and seat of an oracle of Apollo, located south of Miletus in modern Turkey. Before being plundered and burned by the Persians (c. 494 BC), the sanctuary was in the charge of the Branchids, a priestly caste named after Branchus, a favourite youth of Apollo. After Alexander the Great conquered Miletus (334), the oracle was re sanctified; the city administered the cult, annually electing a prophet. About 300 BC the Milesians began to build a new temple, intended to be the largest in the Greek world. The annual festival held there, the Didymeia, became Panhellenic in the beginning of the 2nd century BC. Excavations made between 1905 and 1930 revealed all of the uncompleted new temple and some carved pieces of the earlier temple and statues.

temple of apollo 1

Apollo Temple: Morgana, June 2012

Made a township in 1991, Didyma is a peninsula surrounded by the provincial limits of Mugla and the Akbük cove in the east, the Aegean Sea in the south and west and the lake Bafa and the river Meander in the north. It is located 106 km from Aydin, 53 km from Söke, 73 km from Kusadasi, and 110 km from Bodrum. The number of its inhabitants is 10.400 according to the census of 1990, and its area 300 km2.

 

temple of apollo 2

Apollo Temple, Morgana, June 2012

The Apollo temple of Didyma (the Didymaion), located within the boundaries of the village of Yeni Hisar in the Söke district of the province of Aydın, was known as a sanctuary and seat of an oracle attached to Miletus. Recent excavations revealed remains, which showed that Didyma was not only a seat of an oracle but also the site of dense settlement.

The research concerning the origins of the names of Didyma and Didymaion has been a subject of discussion going on for years. Along with several other myths, it was thought that the name Didymaion that meant ’twin temples’ or ’temple of the twins’, was related to Artemis, the twin sister of Apollo. However, as no definite evidence could be found, this theory also remained as a myth. With the intensification of work in recent years on the ‘Sacred Road’ connecting Miletus and Didyma, and the finding of the place of the Artemis cult during the excavations however, it was proved that this thesis was right. The two temples built for the twin brother and sister, the Artemision and the Didymaion, constitute the origin of the name Didyma.

Apollo and Artemis were closely related to the mother goddess Cybele who had, from prehistoric times, a very important place in Anatolia. The mother goddess Cybele had various names (such as Kubaba, Isis, Hepat, Lat) and epithets according to localities and cultures. The most widespread of these names was Dindymene which was derived from mount Dindymus and which is remarkable for its resemblance to the name Didyma.

AA monogram

 

 

 

 

 

 

 

An Apollo & Artemis monogram? The capital letters AA scratched into the wall leading down to the inner temple, Morgana, June 2012

passage to inner temple 

 

 

 

 

 

 

 

The narrow passage leading to the inner temple. Along the walls the AA monogram was scratched numerous times. The ’twin’ Artemis Temple is not far from the Apollo Temple. However it is not open for visitors. (Morgana, June 2012)

The name of Apollo is considered not to be Greek. Apollo, who, because of the resemblance in names was identified with the god Apulunas mentioned in Hittite written sources, represented shape given by rational perception, temperate power, fine arts and light. Besides these, he was renowned for his ability to prophesy, and he communicated to people through mediums and oracles his knowledge of the future.

The dependence of communities on religion increased as it was seen that gods possessed forces to direct according to their will, all phenomena and events relating to nature and society. As a natural consequence of the increase in religion, belief in the power to prophesy of the gods who could foresee events and phenomena was intensified.

In the Archaic period the oracle of Apollo had great fame. The great number of temples erected in Anatolia as seats of oracles is evidence that belief in gods had reached enormous proportions. The most important of the temples dedicated to Apollo were the Temple of Apollo at Delphi in Greece, and the Didymaion in Anatolia. These two seats were in constant rivalry with each other. A fine example of this rivalry can be clearly seen in the following verses by the oracle of Delphi.

In the mid 7th century BC, in the oracles of Apollo, the god could be consulted once a year for official matters, and the answers received to questions directed would be in the form of “yes or “no”. When in later years, consulting the god also for private matters became a tradition, these consultations became gradually more frequent. The oracles of Apollo grew very rich as a result of this, and their fame and influence spread over large areas. They became as powerful as the state they were in and were effective in shaping the destinies of persons and communities, and particularly in politics where they played a very important role, they very often caused wrong decisions to be taken.

Pausanias states that the Apollo temple at Didyma had been built before the Greek colonization (10th century BC). It is believed in the light of this that the existence of Didyma, like that of Miletus and Priene goes back to the 2nd millennium BC. However according to the results of excavations and research work undertaken up to the present day, the earliest temple remains date back to the end of the 8th century BC.

One learns from Herodotus that valuable votive offerings were presented to the temple by King Necho of Egypt at the end of the 7th century BC, and King Croesus of Lydia in the 6th century BC.

It is believed that the construction of the Archaic temple was begun in the mid 6th century BC and was completed at the end of the same century. In the 6th century BC, the Didymaion was administered by a priestly caste named Branchids. During this period, which lasted about 100 years, the temple flourished and went through its most brilliant era.

It was completely burned and plundered by the Persians during the battle of Lade, the priests of the temple were driven to Susa, and the cult statue of Apollo was taken to Ecbatana. The statue of Apollo which was dated back to 500 BC, was made by the sculptor Kanachus of Sicyon and reflects Anatolian – Hittite characteristics.

The construction of the Hellenistic temple was begun after the victory of Alexander the Great over the Persians. However, it was understood from the remains that this Hellenistic temple was not completed.

The temple of which the construction was continued under Emperor Caligula (37 – 41 AD) who wanted to be though of as the god of the temple, and later under Hadrian (117 – 138 AD), was never completed. With the alterations made in the 3rd century AD to protect it from plunder, the temple took on the appearance of a fortress, and flourished under the reigns of Aurelian (270 – 275) and Diocletian (284 – 305).

There are findings which indicate that work was done on the temple during the reign of Emperor Julian (361 – 363).

In the beginning of the 5th century AD, Emperor Theodosius had a church built in the sacred courtyard (Adyton – Sekos). This church, which had the appearance of a three – winged basilica, was destroyed in an earthquake and later rebuilt with one wing (9th century AD).

In the 10th century AD, the two – columned hall (Chresmographeion – hall of the oracle) and the pronaos, which were used as storage areas, were greatly damaged in a fire, and most of the marble turned into lime.

After the Seljuks and the Mongols conquered the region the temple was completely abandoned.

An Italian traveller who visited Didyma in 1446 records that the whole temple was standing, however at the end of the 15th century the temple was completely destroyed by an earthquake and turned into a heap of marble. In later years the temple was used as a quarry, and many of its architectural elements were used as building material in the construction of dwellings and other buildings by the local people.

Temple of Apolo, Ionic pillar

Temple of Apollo, Ionic pillar

 

The magnificent Ionic Capital, Morgana, June 2012

EXCAVATIONS

The first excavations in Didyma were made in 1858 by the English under the direction of Newton. The area excavated was the Sacred Road.

In the temple, excavations were first begun in 1872 by the French under O. Rayet and A. Thomas. The aim was to find the cult statue of Apollo, but at the end of the work which lasted two years, the cult statue had not been found. However, it had been possible to determine the dimensions of the temple and to reconstruct its plan.

In the excavations of 1895 – 96, again undertaken by the French, the work, supervised by B. Haussoullier and E. Pontremoli, was concentrated on the northern part of the temple. These excavations were stopped shortly after due to economic reasons. Excavations begun in 1905 for the museums in Berlin under the supervision of Th. Weigand, were continued on a systematic basis until the year 1937. During this time a great portion of the temple was revealed. After this date, excavations were interrupted and work on publication of the results was begun.

In order find solutions to certain problems concerning the temple and its surroundings, excavations were begun again in 1962, this time for the German Institute of Archaeology, under the supervision of R. Naumann. When R. Naumann left, the excavations in Didyma were continued under the supervision of Klaus Tuchelt. Work is at present still going on in the area with special attention to research on the Sacred Road.

THE SACRED ROAD

The Delphinion is accepted as the starting point of the Sacred Road connecting Miletus and Didyma. The road ran from the Sacred Gate of Miletus southwards in the direction of the coast to Panarmos Harbour (above Akköy), and – bending south – east from the port, reached the Didymaion. Within the boundaries of Yenihisar, the Sacred Road runs close along the side of the asphalt road. A portion of the Sacred Road has been revealed by excavations and exploratory trenches dug in recent years. However, due to certain bureaucratic obstacles, it has not yet been possible to establish its connection to the temple.

On either side of the road there were statues of Branchids (priests and priestesses attached to the temple), crouching lions and sphinxes, all of which gave the road an impressive appearance. Monumental tombs and sarcophagi belonging to important persons were also dispersed along the road. Statues of Branchids revealed in the excavations carried out by Newton in 1858 on the Sacred Road have been taken to the British Museum. Some fragments belonging to the statues are in the storeroom of the house of excavations in Didyma. Four of the Branchid statues in which Hittite influence is apparent and which have been dated back to the 6th century BC, are on display in the museum in Miletus. In the years 100 and 101 AD Emperor Trajan had the Sacred Road restored. The parts of the road that had fallen down were raised to a higher level and the other parts were repaired. Inscriptions indicate that the restoration work was completed in a very short time.

It was understood from a milestone revealed during excavations that the road was 16.5 kilometres long. According to the portions uncovered, the width of the road which was made of stone blocks, changed between 5 and 7 meters. On both sides of it were rows of shops, votive fountains, monumental tombs, baths, and the area for the cult of Artemis. Findings indicate a dense settlement. The group of people who set out from Miletus to join the annual celebrations and festivities which were held in the Didymaion every spring, reached the temple after a long walk, there were therefore, resting places on the Sacred Road. It is understood that the Terrace with the Sphinx, uncovered during excavations carried out in 1985 about 4 kilometres to the south of Akköy, was a halting place built for rest purposes.

THE ARCHAIC DIDYMAION (The Apollo Temple at Didyma)

Remains of foundations of the Late Geometric period were found during excavations carried out in 1962 by German archaeologists within the secos of the Hellenistic temple to look for the first Apollo temple of Didyma which, according to Pausanias, had existed before the 10th century BC. The temple which, according to the foundations of secos walls uncovered in the north and south parts, was 10.20 meters wide and 24 meters long and slightly narrowed towards the east, was built at the end of the 8th century BC. The small and simple temple contained a secos (sacred courtyard), an altar, a sacred source, a cult statue and the symbols of Apollo. The Late Geometric temple did not have a naiscos, the naiscos is understood to have been built at the end of the 7th century BC to protect the cult statue. Exploratory digging carried out to the south – west of the temple revealed the remains of a columned building 15.50 meters long and 3.60 meters wide. The remnants and ceramic findings have been dated back to the end of the 7th century BC.

Not many remains are left to the present day from the Archaic Didymaion, as it was burned, destroyed and plundered in 494 BC (the battle of Lade). Besides, findings relating to the Archaic temple are further limited by the fact that the Hellenistic temple was built over the foundations of the Archaic one. However, the construction of the plan was possible and various examples of reconstruction were made through ancient authors, as well as architectural and sculptural fragments found during borings and excavations.The Didymaion became really important in the first of the 6th century BC when all Ionian cities, and especially Miletus, reached their most flourishing era. The temple was rebuilt in 560 – 550 BC with larger proportions. The influence of the temples of Hera at Samos and Artemis at Ephesus are apparent in the Archaic Didymaion.

The temple, an 87.65 meter long and 40.89 meter wide building of a dipteral plan (having a double row of columns all around), rested on a two – stepped crepes. The longer sides had 21 columns each, the east had 8, and the west 9, whereas in the pronaos there were 8 columns in two rows. Together with the columns within the peristasis (the surrounding hall), the total number of columns added up to 112.

The parts of the temple which were not visible from the outside were made of local tufa, while those that were visible were made of marble. The marble was provided from marble quarries on the island of Toşoz, and in the hills above the village of Pınarcık near Bafa lake. One can still see fragments of roughly prepared column shafts in the quarries at Pınarcık. The party worked marble, brought from the quarry to Latmos Harbour, was then taken by sea to Panarmos Harbor, and from there it was carried to the temple

The bases and capitals of the 15.45 meter high columns bear the characteristics of the Artemis Temple at Ephesus; the bases consists of tori and double trochili, the Ionic capitals have large volutes, the column shafts have 36 flutes. On the eastern facade, the lower parts of the columns in the front row were decorated with reliefs; a head of a woman (Kore) from these relief is on display in the Charlottenburg Museum in Berlin. The characteristics of all these elements indicate that they were at the latest made in the year 550 BC, which coincides with the date of the initial construction of the Archaic Didymaion.

Temple of Apollo Python band

The python running along the temple walls? Morgana, June 2012 (see footnote 1)

The double row of columns in the pronaos indicate that it had a roof. The architrave is quite narrow. In the corners are high reliefs of winged gorgons and behind these are figures of crouching lions. It is believed that certain wild animals’ figures were also there besides the lions. This type of decorations is quite unusual in temple entablature. These pieces of work which can be dated back to the end of the 6th century BC, were probably made during restoration works which took place in the temple at the time. On the architrave rest, in due order, a band of egg – and – dart molding, dentils, another band of egg – and – dart moulding, a cornice and a roof.

The inner sides of the walls of the secos (sacred courtyard) were fortified by pilasters in the form of half – columns, which brought colour to the long, high walls. The height of the walls of the 50.25 meter long and 17.45 meter wide secos reached 17.5 meters. Walls of this height give the imprecision that the secos was roofed, but the greatness of the distances between the pilasters on the walls destroys this theory.

Within the secos stood the naiscos (little temple) where the cult statue of Apollo was kept. However, there are not many findings belonging to this buildings. During borings in the Hellenistic naiscos, foundation remains belonging to a smaller building were found. It is believed that these foundations belong to the Archaic naiscos. The bronze cult statue is known as the ‘Apollo Philesius’ and represents Apollo catching a deer.

In front of the temple (east) and on the same axis stands a circular altar. This altar, of which the other diameter measures 8 meters and the inner one 5.5 meters, had two doors. The holes for the hinges can still be seen on the thresholds. The altar of which the inside is very well preserved, had been used in the Archaic, and also in the Hellenistic and Roman temples as the sacred place where the animals presented as votive offerings were burned. The great amount of ashes found in the building during excavations is evidence of this. In ancient times, animals offered to the gods of the sky were burned in this type of altar, and sanctification was achieved by washing in the blood of the animals offered to the gods under the ground. To the north of the altar is the sacred source. The masonry of the lower parts of this circular well shows that it was constructed in the Archaic period.

3.5 meter high protective walls encircle the front part of the temple. These walls must have been built to diminish the difference of levels in the large area in front of the temple. In the uncovered portion of these protective walls were five outlets with staircases, each 2.5 meters wide. The central stairs are situated just opposite the altar, on the same axis. These stairs led to the terrace on which stood the votive and gods’ statues. The style of the egg – and – dart molding used to decorate the upper part of the terrace wall as well as the workmanship of the wall and stairs, bear the characteristics of the Archaic period.

On this terrace one also comes across the remains of two long structures built of limestone. The 34.5 meter long and 7 meter wide buildings must have been shops where visitors took shelter or shopped. These buildings also show the characteristics of the Archaic period.

Next to the stairs along the terrace wall situate in the direction of the south – east end of the temple are rows of benches. It is understood that these benches extending parallel to the steps of the temple were built in the Hellenistic period, and were the rows of benches for the stadium situated to the south of the temple, Every four years festivities called the “Megala Didymeia” and musical shows, were held here, and torch processions and competitions were arranged. The bases having a hole in the center, which marked the starting points of the races, can be seen at the eastern end of the stadium. These bases lie on the same axis as the altar.

 

09062012510

Griffins and other fantastic beasts, Morgana, June 2012

THE HELLENISTIC DIDYMAION

What remains of the temple in the present day, through hundreds of years of earth – quakes, fire, destruction and plunder are mostly remnants of the Hellenistic period. The Roman characteristics witnessed in certain parts of the temple, are elements which have reached the present day from the temple, which continued to be built during the Roman period also.

It is known that the construction of the Hellenistic temple was begun in 313 BC, and that it was erected over the Archaic temple which was burned and destroyed in 494 BC. The donations of Alexander the Great and King Seleucus I of Syria were of great help in the rebuilding of the Didymaion. Furthermore, Seleucus I had the cult statue of Apollo brought back from Ecbatana (300 BC) and replaced in the temple.

The plan of the temple was made by Paionius of Ephesus and Daphnis of Miletus. These two renowned architects had also worked on the Artemision at Ephesus (one of the seven wonders of the world) and the Heraion at Samos, which were considered to be the largest and the most magnificent temples of the Hellenistic period. The Didymaion emerges as the third largest edifice of the Hellenistic period, following the former.

The plan, as a requisition of the cult, had to provide an open air space to hold the Sacred Fountain, the Altar, the Laurel Grove, considered to be the sacred tree of Apollo, and it had also to shelter the cult statue. All these elements had to be arranged in a way not to disturb the covered spaces. The architects constructed on ostentatious example of architecture, by the perfect use of the local characteristics of the cult of the oracle and of the spaces of different levels. This temple differed from a normal temple plan in that it was also the seat of an oracle. The edifice consisted of a long pronaos, a rectangular hall with two columns in the centre (the oracle hall-Cresmographeion), a sacred courtyard surrounded by high walls (Secos-Adyton), and in this courtyard a small temple sheltering the cult statue of Apollo (the naiscos), all set on the same axis but at different floor levels.

The temples, situated over the Archaic one and of larger proportions, had necessitated an uncommonly high lower structure. The temple rested on a 3.5 meter high and 7 – stepped platform (crepis), and had in the centre of the front facade a 14 – stepped stairway of which both sides were limited. The width of these stairs was equal to that of the temple. This characteristic is also visible in the Classical Artemision. The temple, 109.34 meters long and 51.13 meters wide, was built on a dipteral (having a double row of columns all around) plan. It had 21 columns each on its longer sides, and 10 each on the shorter ones. Together with the columns within the peristasis and the ones in the pronaos and cresmographeion, the total number of columns added up to 122. The cost of the columns of which only three stand today, was very high. Excavations have revealed a great number of inscriptions showing the calculation of construction costs prepared during the building of the temple. It is understood from these documents that the cost of one column was 40,000 drachmae and that the daily wages of a labourer was only 2 drachmea. This means that one labourer would have to work for 20,000 workdays to put a column in its place, or to adapt it to the present day, by assuming that the minimum daily wage of a stone workman be 10,000 TL, the construction cost of a column could be calculated to amount to 200 million TL. It is also known, from these inscriptions that, from 250 BC onwards, 8 architects and 20 construction companies worked for the temple.

Such a large and costly building could certainly not have been finished in a short time. It is understood that the construction went on in the 3rd and 2nd centuries BC, and that some of it was completed during the Roman period. Although a great portion of the columns were prepared and set in their places, it can be seen that those in the outer row of the peristasis and especially those in the rear facade were never completed.

The height of the columns was first determined in 1873 by A. Thomas as being 19.71 meters. The accuracy of the measurement was evidenced by recent research work also. The lower diameters of the columns vary between 1.96 and 2 meters. This conforms to the rule that, in the Ionic order lower diameters of columns are equal to 1/10th of their height.

A. von Gerkan has calculated the total height of the temple, including the 19.71 meter high columns, the stepped lower structure and the entablature, as 29.40 meters. This measurement gives an idea of the magnificence of the temple before it was destroyed.

The double row of columns round the temple gave the building a very impressive appearance as well as depth. Of the 108 columns in the peristasis (the peripheral hall) about 80 are standing in their original places. The letters seen in the upper and lower parts of the fragments of column shafts were written by the workmen to avoid any mistakes during the placing of the columns in their places. This is also an indication that the columns had entasis (a swelling of column shafts).

Of the three Hellenistic columns still standing, the workmanship of two are complete and they carry the entablature. The third column, which carries a capital, has no fluting in its shaft. According to the characteristics of the capitals, the columns were built in the first half of the 2nd century BC.

09062012519

The head of Medusa, Apollo Temple, Morgana, June 2012

The bases of the columns in the peristalsis display different characteristics; whereas some consist of plinthus, torus and double trochilus, the column bases in the central part of the other row in the front facade show Early Roman characteristics. One of these bases is divided in to 12 rectangular panels decorated with motifs of sea creatures, palmettoes and other plants. On another base there are double meander and palmento motifs. These bases were built between the years 37 and 41 BC by Emperor Caligula who wanted to identify himself with Apollo.

The capitals situated at the outer corners of the peristasis and ornamented with busts of gods and bulls’ heads as well as the heads of Gorgons on the architrave, show the baroque characteristics of the 2nd century AD.

The columns on the north side of the temple, of which the workmanship is complete, are all standing in their places, whereas those on the west side were set in their places, although their workmanship was incomplete, the latter now lie on the ground, fallen in earthquakes. Most of the columns on the south side are missing, and it is understood that they were never completed.

In the front of the temple, after the double row of columns, was the pronaos. Also mentioned as the 12- columned hall in archaeological literature, the pronaos had a total of 12 columns in three rows of four columns each, which carried the roof (Dodecastylos). The marks left by the fire of the Middle Ages can be seen on the Attic styl, scale motifs are carved on the upper parts of the antae walls are profiled in the same form. This is the first time that this characteristic, of which an example is in the Porthenon, is seen in an Ionic temple.

There were three doors in the rear wall of the pronaos. The central door of monumental appearance was 5.63 meters wide and 14 meters high. The fact that its threshold was placed 1.46 meters higher than the floor of the pronaos shows that there was no entrance from here to the oracle hall. The prophecies of Apollo were communicated by his pronouncers to the people through this door. It is therefore named the “Oracle Door”. The marble blocks on either side of the door weigh 70 tons each are known as the heaviest elements of antiquity.

The two other doors, one on either side of the monumental door, were each 1.20 meters wide and 2.25 meters high, and provided the entrance to the inner part of the temple. These doors were connected to the sacred courtyard by vaulted and sloping narrow corridors. In the lower parts of the corridors, which opened onto the Adytum, were small divisions that had coffering in their ceilings. Doric elements seen on the doors are characteristics that remind one of the propylaea of the Athenian Acropolis. Only persons working in the temple and priests could enter the inner part of the temple. These people would reach the Adytum through the dark and mystic corridors mentioned above.

To the east of the Adytum, between the doors at the end of the corridors, was a 15.24 meter wide stairway consisting of 24 steps. These stairs led to a 14.01 meter long, 8.74 meter wide and 20 meter high hall with three doors and two columns. This hall which had no entrance from the pronaos was Cresmographeion (the hall of the oracle) which together with the pronaos the first completed sections of the temple. Only priests and mediums could enter this hall, and they communicated the prophecies to the people through the above mentioned monumental door. Therefore, the Cresmographeion and the pronaos, which constituted an entity, were considered the most important divisions of the Didymaion. The two columns in the centre of the oracle hall had Corinthian capitals and carried the roof. Understood to have been built in the beginning of the 3rd century BC on the evidence of their characteristics, these capitals are considered to be among the earliest examples of Corinthian capitals.

Temple of Apollo passage 3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

The passages leading to the inner temple, Morgana, June 2012

The doors the north and south sides of the Cresmographeion open onto stepped passages mentioned as Labyrinths in inscriptions. On the ceiling of the better preserved southern corridor meander motifs can be seen. These passages played an important role in acoustics during cult ceremonies accompanied by the chorus. The roof of the temple was also reached by these passages.

The 21.71 meter wide and 53.63 meter long Adytum is of a very striking appearance with its 25 meter high walls and its top open to the sky. The lower part of the Adytum walls which are at the same level as the Cresmographeion have the appearance of a high podium. Their base is profiled and the upper end is finished with a row of egg – and – dart moulding. The podium, which is made of smooth marble blocks, displays a fine workmanship. In the central parts of the walls are pilasters in the form of half – columns. Over the pilasters were pilaster capitals ornamented with motifs of griffins or vaulted plants, on the frieze between the capitals were reliefs representing winged lions holding Apollo’s lyre between their paws, and on top of it all was the cornice ending in the cymatium. All these elements brought colour to the long and excessively high walls. The decorations on the walls of the Adytum bear the characteristics of the Early Hellenistic period. These elements indicate that the Adytum was built in the first half of the 2nd century BC. It has also been proven by an inscription that the Adytum had been completed at that time.

One of the most important findings of recent years in the Didymaion are the drawings on the lower parts of the walls of the Adytum. These drawings, which can be seen with great difficulty and only under certain lighting condition, first attracted attention in 1979 and work was begun on them in 1980. The work is being carried out by Lother Haselberg who was the first to see the drawings. These were worked onto the smooth marble walls of the Adytum by making about half a millimetre deep incisions in the surface of the marble by a very thin and sharp point, and they represented the plants of various elements and divisions of the Didymaion. In order to obtain accurate drawings, a grid consisting of horizontal lines with 1.8 – 1.9 centimetre intervals cut at regular intervals by perpendicular lines, was prepared beforehand to serve as a scale. This grid facilitated the making of the actual drawings. It is understood that these drawings, which are extremely accurate, were done by the architects who worked on the construction of the temple.

The plans cover an area of 200 square meters. Some of the drawings were made horizontally, whereas others are perpendicular. In general, the horizontal drawings are on a 1 to 1 scale, and the perpendicular ones on a 1 to 6 scale.

Besides the drawings of elements like column bases and shafts, the drawing of o portion of the entablature of the niscos was also discovered on the rear wall of the Adytum. These drawings, believed to involve all the parts of the temple, will throw a light upon many an unsolved problem on the Didymaion, thus adding new proportions to the work.

To the west of the Adytum stood the naiscos, which sheltered the cult statue. The temple, of which only the remains of the foundations can be seen today was 14.43 meters long and 8.24 meters wide. The plan of the naiscos, reconstructed from discovered fragments, was a pro-style. The temple was a small building with antae obtained by the projection of the two side walls of the naos and four Ionic columns in front. Column bases were of the Ephesus type. The Ionic capitals, antae capitals and entablature ornaments, all show Early Hellenistic characteristics. Wall bases were profiled in the Attic style like the Adytum walls. The edifice, which looked like the Zeus temple at Priene, was the first Anatolian temple built in the Hellenistic period under Attic influence. In contrast with the smooth, ornament less walls, the entablature was very richly decorated. The coffering of the ceiling in the front hall and the soffits of the lower part of the architrave, were decorated with flower motifs polychrome in various colours. It is accepted, according to the ornamentation of the entablature, that the naiscos was completed in 270 BC and that the cult statue of Apollo, which was brought from Ecbatana, was put in its place in the naos in 300 BC.

The reconstruction model of the naiscos, constructed by putting together the discovered architectural fragments, is kept in the storeroom of the excavation house.

GENERAL CHARACTERISTICS OF THE TEMPLE

Besides being for centuries a very important oracle seat, the Didymaion was also renowned for its sacred water, sacred grove, the many sacred elements it housed, and its wealth. The riches of the temple had its source in donations and votive offerings made in varying forms. The very valuable offerings of King Necho of Egypt, King Croesus of Lydia and King Seleucus II of Pergamum, had an important place among the donations made to the Didymaion. The donation of various sacrificial animals, 1,000 in number, and 12 rams by Lysimachus, was also one of the interesting offerings.

The fact that Miletus attempted to build a fleet with the treasury of the temple before the battle of Lade, shows how rich the Didymaion was.

One other feature of the Didymaion was that it had the right to shelter. This right, which was termed “the Right of Asylum”, was the recognition of the right of inviolability to people who took refuge in the temple. The right of asylum, which therefore created many problems, had given rise to many a discussion. The boundaries of the right of asylum, however, were gradually enlarged and were increased to 3 kilometres by Emperor Augustus Trajan enlarged the boundaries even more and wanted them to be recognized from the beginning of the Sacred Road.

It is understood from inscriptions that the festivities and ceremonies held every year in spring went on even after the Didymaion was completely destroyed in 494 BC. The journey from Miletus to the Didymaion was made by sea or by the Sacred Road. The group of people who set out from Miletus with ceremonies begun in the Delphinion where they received the sanctification of Apollo and were sent forward by the Delphins, came from the Lions’ Harbour to the Panarmos Harbour, and from there reached the Didymaion on foot. First, sacrificial beasts and votive offerings were presented to the god, then, after ceremonies to the accompaniment of music and chorus, the important persons entered the temple, and after that, the questions asked by inquires were answered by the oracle. The ceremonies were directed by the Stephanephors. It was shown by inscriptions that the Emperors Augustus and Trajan took the title of Stephanephor and carried out this position. In the Roman period, the Sacred Road gained in importance as the harbors filled up with alluvial mud and travel by sea became unfeasible.

The reason for this extremely impressive and magnificent temple’s not being considered among the seven wonders of the world is related by the authorities to its not having been completed.

Footnote 1

The Python running along the temple walls? Morgana, June 2012

Although in the above report there is a reference to “a band of egg – and – dart molding, dentils” I couldn’t help thinking that the band running parallel was reminiscent of the scales of a snake, or serpent. Was this the Python that Apollo killed? According to legend Apollo killed the serpent Python who lived in the caves of Parnassus and because of this he was sometimes called ‘Pythian Apollo’.

“Apollo’s first achievement was to rid Pytho (Delphi) of the serpent (or dragon) Python. This monstrous beast protected the sanctuary of Pytho from its lair beside the Castalian Spring. There it stood guard while the ‘Sibyl’ gave out her prophecies as she inhaled the trance inducing vapors from an open chasm. Apollo killed Python with his bow and arrows (Homer wrote “he killed the fearsome dragon Python, piercing it with his darts”). Apollo not only took charge of the oracle but rid the neighboring countryside of widespread destruction, as Python had destroyed crops, sacked villages and polluted streams and springs. However, to make amends for killing Python, as the fearsome beast was the son of  Gaia, Apollo had to serve king  Admetus for nine years (in some versions eight) as a cowherd. This he did, and when he returned to Pytho he came in the guise of a dolphin bringing with him priests from Crete (Apollo’s cult title “Delphinios” meaning dolphin or porpoise, is probably how Delphi was so named). After killing Python and taking possession of the oracle, the god of light (Phobus) became known as ‘Pythian Apollo’. He dedicated a bronze tripod to the sanctuary and bestowed divine powers on one of the priestesses, and she became known as the ‘Pythia’. It was she who inhaled the hallucinating vapors from the fissure in the temple floor, while she sat on a tripod chewing laurel leaves. After she mumbled her answer, a male priest would translate it for the supplicant. Delphi became the most important oracle center of Apollo, there were several including Clarus and Branchidae.”

(http://www.pantheon.org/articles/a/apollo.html)

Here we see the link to the Branchidae. Was the band of scales running along the temple wall a way of linking the temples of Delphi and Didyma?

View to Didim

 

 

Coming down to the modern town of DIDIM, Morgana, june 2012.

Geplaatst in English articles | Getagged , , , , , | Reacties uitgeschakeld voor The Apollo Temple of Didyma

Sint Maarten


11 november is de dag dat mijn lichtje branden mag.” Kinderen in verschillende regio’s in Nederland vieren Sint Maarten door bijvoorbeeld met een lampion langs de deuren te gaan en liedjes te zingen. Ze krijgen dan fruit of snoepgoed van de bewoners. Is het een typisch christelijk feest, of heeft het ook een heidense achtergrond? Het feit dat 11 november 1 november is volgens de Juliaanse kalender, geeft te denken.

Martinus
De naam van het feest van Sint Maarten komt van Martinus van Tours, een jonge officier in het Romeinse leger. Hij zou in 316 geboren zijn in Savaria (nu Hongarije), als zoon van een rijke koopman of een Romeins tribuun. Op zijn tiende nam hij al catechismuslessen, tegen de zin van zijn ouders. Hij had al veel weggegeven aan armen, toen hij voor de poort van de stad Amiens een bedelaar in lompen tegenkwam. Omdat hij geen geld meer op zak had, sneed hij zijn mantel doormidden met zijn zwaard en gaf de helft aan de bedelaar, onder gehoon van zijn strijdmakkers. De mantel was (voor de helft?) eigendom van het leger; Martinus mocht hem niet in zijn geheel weggegeven, en wilde trouwens zelf ook wel warm blijven.
In de nacht erna kreeg hij een droom waarin Jezus aan hem verscheen en zei dat Martinus hem gekleed had met de helft van zijn jas. Daarop besloot Martinus zich te laten dopen en hij verliet het leger. Op zijn negentiende werd hij exorcist en later in zijn leven, circa 371, werd hij door de bevolking benoemd tot bisschop van Tours. In 397 overleed hij, ongeveer 80 jaar oud, aan koortsen en in de vijfde eeuw werd hij heilig verklaard. Sindsdien is zijn sterfdag, 11 november, zijn officiële gedenkdag.
Diverse schilders, onder wie Rubens en Van Dijck, hebben de scène voor de poort afgebeeld. De stad Utrecht heeft aan de mantel zijn wapen ontleed: half rood (van de mantel), half wit (vanwege de onderkleren die zichtbaar werden). “Rechtsgeschuind van rood en wit, en de witte helft droeg de beeltenis van Sint Maarten.” Dat was de patroonheilige van de stad, en de Domkerk is ook bekend als de Grote of Sint Maartenskerk.

Landbouw
Volgens Jef de Jager: “Hoewel in aanleg een zuiver religieus feest, sloeg Sint-Maarten extra aan, doordat het samenviel met de landbouwcyclus. Het vee staat tegen die tijd op stal en de meeste buitenwerkzaamheden voor boeren lopen ten einde; hun ‘winterslaap’ begint. Voor de volksweerkunde had het feest nog een voorspellende waarde: ‘Nevels in Sint-Maartensnacht maken de winter kort en zacht’.”
Volgens Wikipedia (pagina over Martinus van Tours): “Sint-Maarten was vroeger de datum waarop de oogst binnengehaald moest zijn en het vee op stal ging. Op die dag werden ganzen geslacht. Op 11 november werden de grote Sint-Maartensvuren ontstoken. Dit gebruik gaat terug op een Germaans feest ter ere van Wodan. Men bracht dankoffers en brandde reinigende vuren om de vruchtbaarheid van het land en vee te bevorderen.” (Elders wordt dit betwist, of in een ander perspectief geplaatst: ‘vuren zijn van alle tijden, en niet typisch heidens’).
Fuchs en Simons: “Op vele plaatsen wordt ’s avonds het Sint Maartensvuur ontstoken, waarbij alles wat maar branden wil, gebruikt wordt. Allerlei onderzoekers naar de diepere en de diepste betekenis van oude volksgebruiken, willen hierin een afweermiddel zien tegen de boze geesten en heksen die verdreven moeten worden.” en “Het feest van Sint Maarten is (namelijk) steeds een eetfeest geweest; men brengt dit wel in verbinding met november als slachtmaand en met het feit dat deze Sint zo gul was voor de armen.” Traditionele gerechten waren pannekoeken, mispels en de Sint Maartensgans, maar er waren ook korven met appels, peren en tamme kastanjes.

Samhain
Janet en Stewart Farrar wijzen erop dat Sint Maarten (Martinmas) samenvalt met het feest van Samhain, omdat de kalender in de loop der tijd zo’n elf dagen is verschoven (afhankelijk van waar in Europa je woonde of beter: in welk jaar de juliaanse kalender door de gregoriaanse werd vervangen). Samhain (sow-in, met de uitspraak van sow rijmend op het Engelse cow) is de Ierse naam voor de maand november. Samhuin (de uitspraak wordt in het Engels aangeduid als sav-en, waarbij de n klinkt als het ‘ni’ in ‘onion‘) is Schots ‘Gaelic’ voor Allerheiligen, 1 november. Voor de Kelten was dit het begin van het jaar (en in wicca is Samhain de naam voor het feest op de vooravond van 1 november, het heksen-nieuwjaar). Toen er nog geen landbouw was, of die maar heel weinig opleverde, was het niet mogelijk om de hele kudde te voeden gedurende de winter. Ook voor de mensen was mogelijk niet genoeg plantaardig voedsel beschikbaar. Daarom werd alleen een basiskudde in leven gehouden waarmee weer gefokt kon worden, en de rest werd geslacht en gezouten. Een deel van het vlees kon niet ingemaakt worden, en daarmee werd nog een feest aangericht. Ook de gewassen moesten voor 1 november van het land zijn, en alles wat dan nog niet geoogst was, werd achtergelaten omdat de ‘pooka‘ (púca) geacht werd wat ongeoogst was gebleven te vernietigen of vergiftigen. Vanwege het slachten van de dieren waren de sluiers tussen de werelden dun op Samhain. Tot de tradities bij dit jaarfeest horen vreugdevuren, divinatie, duiken naar appels en bij Halloween worden ook genoemd het uithollen van knollen of pompoenen (en daarin een lichtje plaatsen) en het langs de deuren gaan om te bedelen om voedsel. Hallowe’en (Hallow-even: de avond voorafgaand aan All Hallows of Allerheiligen) wordt op dezelfde datum gevierd als Samhain, mogelijk bewust zo gepland door de vroege kerk, en de tradities lopen inmiddels dooreen. En ze lijken wel erg op hoe in Nederland, België en een deel van Frankrijk en in Oost-Friesland Sint Maarten gevierd wordt.

Volksgebruiken
Ooit was het een feest voor iedereen, maar langzamerhand is Sint Maarten vooral een kinderfeest geworden. Lampionoptochten of met een lampion langs de deuren gaan (‘Sint Maarten lopen’) zijn in delen van het land de belangrijkste vorm. Elders worden er ook vuren ontstoken, en hier en daar worden foekepotten gebruikt (een oud muziekinstrument, ook wel rommelpot genoemd). Boeren legden ook wel de Sint Maartensgarde (een met eiken- en jeneverbessenloof omwonden berketak) in hun huis en als het vee in het voorjaar weer naar buiten mag, wordt het met deze garde uitgedreven.
Inez van Eijk: “Net als op Sinterklaasavond werd er op Sint Maarten ‘gestrooid’, eerst bedoeld als brooduitdeling aan de armen, later vooral bedoeld voor kinderen. Een mand met noten en vruchten werd boven het vuur gehangen en wild geschud zodat de inhoud eruit vloog, of hing zo lang boven de hitte dat er een gat in de bodem brandde waardoor de lekkernij eruit geschud kon worden. De strooiavond heette daarom wel ‘schuddekorf-avond’.” (Die was al in 1276 bekend.)
Ooit werd er zo uitbundig gegeten en gedronken op het Maartensfeest, dat de overheid paal en perk moest stellen aan jeugdige uitwassen. Fuchs en Simons: “Een Dordtse keur uit 1443 vertelt: ‘So die jonghe boefkens op St. Maartensavond lestleden veel onredelijkheden bedreven met groote vuren te bernen opter straten, daertoe der luden banken, doeren ende vengsteren ende houten die zijn afbroken ende krijgen konden, ende verbernden ze ende deden den luden schade.’ Dat kon natuurlijk niet” en daarom werd iedereen aangeraden de belhamels te kastijden en te bedwingen, zodat ze geen vuren meer zouden branden en niet meer de houten en banken en vensters van de mensen weg zouden halen.
Sint Maarten wordt in Nederland vooral gevierd in Noord-Holland boven het IJ, op Terschelling, in Friesland, Groningen en Drenthe, rondom het IJsselmeer, in de Gelderse Achterhoek, in delen van Noord-Brabant en in Limburg.

Lampionnen
Toen mijn ouders jong waren, holde je zelf een suikerbiet, voederbiet of knolraap uit. Ik weet niet zeker of een gezichtje het meest voorkomende figuur was. Het materiaal is net zo kwetsbaar als een pompoen: je snijdt er snel doorheen als je probeert figuren uit te snijden. Een hele mooie variant is om de schil van de knol – of kalebas – niet helemaal open te maken, maar een dun laagje schil te laten staan, waaronder je met een guts mooie figuren graveert. Het licht wordt tegengehouden waar de schil nog dik is, maar de patronen lichten mooi op. In mijn jeugd, in ‘Noord-Holland boven het IJ’, om precies te zijn in de IJmond) maakten we zelf lampions van papier, of gebruikten gekochte lampions uit de winkel, met een kerstboomkaarsje in een houder die al op de bodem is aangebracht. Het grote nadeel van papieren lampionnen is de kwetsbaarheid voor het weer, dat op 11 november vaak regenachtig of winderig kan zijn. Menige lampion vatte vlam en moest door een meelopende vader worden uitgetrapt, en andere raakten snel doorweekt. Tegenwoordig zijn er ‘kaarsjes’ met een batterij, die het een stuk veiliger maken. De lol van het op school allemaal tegelijk een eigen lantaarn maken, is er niet minder om geworden. Op internet vind je tips voor het uithollen van bieten, rapen en pompoenen, en voor het maken van lantaarns van bijvoorbeeld papier of blik.

Liedjes
Waar kinderen met hun lampion over straat gaan en aanbellen om te zingen – het Meertensinstituut heeft in kaart gebracht waar dat is – zijn een aantal liedjes te vinden waarop elders in het land variaties bestaan. Een deel van de Sint Maartensliedjes gaat over de heilige, een ander deel over de slacht. Daarnaast zijn er nog spotliedjes voor degenen die veinzen niet thuis te zijn of die niets willen geven – of te weinig naar de zin van de kinderen aan de deur. Wij zongen vroeger (ongeveer) deze liedjes, een of twee per deur, afhankelijk van hoe snel er werd opengedaan en of er direct voor of na ons groepje nog andere kinderen waren:

Sint Martinus had een koe
Die moest naar de slager toe,
Was ie vet of was ie mager
Evengoed moest ie naar de slager.

Sintere Sintere Maarten
de koeien hebben staarten
de koeien hebben horens
de kerken hebben torens
de meisjes hebben rokjes aan
Daar komt Sintere Maarten aan!.

Hier woont een rijk man,
Die veel geven kan,
Veel kan niet schelen,
We zullen alles delen,
Geef me ’n appel of ’n peer,
Dan kom ik ’t hele jaar niet meer.

Elf november is de dag
Dat mijn lichtje, dat mijn lichtje
Elf november is de dag
Dat mijn lichtje branden mag.

Sinte Maarten mik-mak
Je moeder is een dikzak
Je vader is een duntje
Geef me ’n pepermuntje.

Hier woont juffrouw kikkerdril
Die niks geven wil…

maar er worden ook nu nog nieuwe versjes geschreven. Sommige ‘leuker’ of ‘begrijpelijker’ dan oude liedjes, en soms misschien wat meer ‘politiek correct’, maar kinderen zingen toch wel wat ze zelf leuk vinden, zeker als ze met een club leeftijdsgenootjes en zonder ouderlijk toezicht langs de deuren gaan. Dat gebeurt als het net donker is geworden, en op 11 november is dat al vroeg op de avond. Om 8 uur zijn de kinderen wel weer thuis en binnen, en kunnen dan de ‘oogst’ bekijken – en eventueel verdelen – van snoepgoed, taaitaai, pepernoten en een enkel mandarijntje.

Weerspreuken
Voor weersvoorspellers is Sint Maarten een belangrijke dag. Aan het weer op die dag wordt duidelijk welk weer er te wachten staat:
– Als op Sint Maarten de ganzen op het ijs staan, moeten we met kerstmis door het slijk gaan.
– Is het donker lucht op Sint Martijn, zo zal ’t een zachte winter zijn, maar:
– is die dag het weder helder, de vorst dringt door in menig kelder.
– Zo het loof niet valt voor Sint Martijn, zal ’t een harde winter zijn, maar:
– nevels in Sint Maartensnacht, brengen winters kort en zacht.
– Op Sint-Martinus de wind in zuidwest, heel de winter een regennest.
– Al moet Sint-Maarten een mantel dragen, hij moet toch nog wandelen in zomerse dagen.

En dan zijn er nog deze wijsheden, die weer verwijzen het einde van het landbouwseizoen:
– Wie met Sint Maarten nog akkert, komt er nooit mee klaar.
– Sint Maarten brengt het vee op stal.

Nog een paar dagen en we zullen het weten…

Bronnen
– Van Allerheiligen tot Sint Juttemis. Inez van Eijk. Kosmos, 1995.
– Folklore der Lage Landen. Onder redactie van Tj.W.R. De Haan. Elsevier, 1972.
– Shell Journaal van Nederlandse folklore. J.M. Fuchs en W.J. Simons. 1971.
– Eight Sabbats for Witches. Janet and Stewart Farrar. Hale, 1981.
Sint-Maarten. Meertensinstituut.  (Alle websites eind oktober 2012)
Sint-Maartenszingen. Meertensinstituut.
– Rituelen & Tradities. Sint Maarten. Jef de Jager.
Sint-Maarten (feest). Wikipedia.
Martinus van Tours. Wikipedia.
Samhain. Wikipedia.
Halloween. Wikipedia.

Geplaatst in Artikelen | Getagged , , , | 5 reacties

Recensie: Planten en hun legenden

Jurrie Meulenhoff en Sophieke Nijhuis
Planten en hun legenden : een tuin vol verhalen
WBOOKS i.s.m. Nederlands Openluchtmuseum, 2012. 191 p. ISBN 978-90-400-0709-5. € 22,50

Voorkant van het boek Planten en hun legenden

De planten in dit boek zijn allemaal te zien in de Legendeplantentuin van het Nederlands Openluchtmuseum. Het boek is echter veel meer dan een gids bij deze tuin. De verhalen over tweehonderd planten zijn opgedeeld in negen categorieën. Planten kunnen in meer dan één categorie voorkomen, maar worden onder een daarvan beschreven. De wilde cichorei is bijvoorbeeld zowel een religieuze als een folkloreplant, een Mariaplant en een zonnewijzerplant, en valt ook onder de categorie bloementaal. De gewone vlier valt onder de mythologische en de heksenplanten, de heraldische en folkloreplanten en de vlinderstruik (Buddleja davidii) alleen onder de naamplanten.

Tot de mythologische planten behoren de Adonis, de Crocus en de Laurus (laurier), de plant waarin Demeter de nimf Daphne veranderde vanwege Apollo’s opdringerigheid jegens haar. Onder de heksenplanten worden vooral die planten begrepen die zinsbegoochelende stoffen bevatten. Hierbij niet alleen de doornappel, de gevlekte scheerling (giftig!) en het bilzekruid (ooit een gewaardeerd bestanddeel van liefdesdranken en van bier), maar ook hennep en tabak.

De folkloreplanten spelen nog een rol in de volkscultuur. Ze bieden bescherming, werken genezend, houden herinneringen in stand, dragen bij aan herdenkingen en feestelijke gebeurtenissen (inclusief corso’s) en spelen een rol in sprookjes. De kruidenwisplanten worden in deze categorie besproken.

Heraldische planten zijn die gewassen die voorkomen op wapenschilden van de adel en van gemeenten en provincies. Denk aan lelie, roos, korenschoof, eikel en klaverblad. De zonnewijzerplanten werden door Linnaeus in zijn tuin aangeplant omdat ze zich op vaste tijdstippen openen of sluiten. In de praktijk bleek dat nogal te verschillenn afhankelijk van allerlei andere factoren. In dit deel van het boek treffen we de dagschone, de zonnebloem, kompasplant en eendagsbloem (ik mis de gele morgenster).

Jurrie Meulenhoff was ziekenhuisapotheker. Sophieke Nijhuis studeerde tuinbouwplantenteelt en plantenveredeling. Beiden zijn al jaren lid van de Kruidentuincommissie van het Openluchtmuseum.

Het boek is voorzien van verklarende woordenlijsten, een bronnenlijst en een register op de Nederlandse plantennamen. (De volgorde binnen de categorieën is die van de Latijnse naam).

Een mooi boek voor liefhebbers van planten, zeker voor wie dat combineert met een interesse in mythologie en folklore.

Geplaatst in Boeken | Getagged , , , , | Reacties uitgeschakeld voor Recensie: Planten en hun legenden

Review: Madeline Montalban, the Magus of St. Giles

Cover of the book about Madeline Montalban
Julia Phillips

Madeline Montalban, the Magus of St. Giles
Neptune Press ISBN 978-09547063-9-5   See: http://neptunepress.com/

I knew that Julia was preparing this book so was thrilled to hear that it was being launched in mid September at The Atlantis Bookshop in London. This is also the home for Neptune Press; see below for full contact details.

The launch, which I was fortunate enough to attend, was in fact a double launch along with Luthaneal Adams’ new book Pagan Generation: A Young Person’s Guide to Paganism. It was a lively party with a number of well-known faces. A couple knew Madeline personally, or at least knew her professionally,

So who is, or was, Madeline Montalban, a.k.a Dolores North, the name I knew her by in the mid 1980’s? There were rumours of her being the ghost writer of Gerald Gardner’s book High Magic’s Aid … and how was she connected to the so-called ‘Angelic System’?

In this slim volume Julia reveals some of the mysteries surrounding this enigmatic, capricious lady.

By all accounts Madeline was not an easy woman to deal with. In fact Julia remarks how difficult it was to separate fact from fiction when dealing with the material she accumulated. Madeline was born on 8th January 1910 and died 11th January 1982. As the story of Madeline emerged I couldn’t help but notice a few quirky things. She was born in Blackpool, a stone’s throw away from where I spent my school years. Yet another Lancastrian in the gallery of prominent magicians and witches 🙂

Also I learnt that Madeline was a victim of polio which left her with a weak left leg.  I too know what it is like to be slightly disabled and felt a sudden affinity with her. That she later felt an affiliation with St. Giles “who held patronage over outcasts and cripples” was quite apt. By coincidence (!) she ended up living in the district of St. Giles in London.

As I read Julia’s book I began to understand more about Madeline’s drive and determination and why she looked down on so called gurus and masters. That she knew that she was being guided is evident. She was clearly called and she answered the call. Julia writes that it was the connection with the angel Lumiel, who “seen as avatar of the light and teacher of humankind, appears to have been her driving motivation”.

As we read the firsthand  accounts from, amongst others, Michael Howard, we learn too of the social life and times of London in the 1960’s and ’70’s. Madeline began to write articles on astrology and other esoteric topics for the magazine London Life between 1933 and 1953. She then became a writer for the nationwide magazine Prediction until her death.  She also wrote several booklets on astrology, under the pseudonyms including Dolores North, Madeline Alvarez and Nina del Luna.

I was becoming curious as I read the book as to how Madeline learnt to be a ceremonial magician. Of course it came as no surprise to learn that she was self-taught. Julia writes:

“Madeline’s system of angelic magic was Hermetic in the truest sense of that word. She studied widely and then synthesised those streams of knowledge from the ancient world into a cohesive system that was accessible to 20th century minds. Her teachings were contained within The Order of the Morning Star, which Madeline founded with her partner Nicholas Heron.”

Complete with some interesting photographs of Madeline and several sigils and talismans this is a delightful book.  Julia has also included extensive footnotes and a couple of appendices including the contents of the Angelic Course.

One can still study with the OMS. See for more information: http://www.sheridandouglas.co.uk/OMS.htm

Also more about Madeline Montalban: http://en.wikipedia.org/wiki/Madeline_Montalban

 

Geplaatst in Boeken, English articles, Recensies | Getagged , | Reacties uitgeschakeld voor Review: Madeline Montalban, the Magus of St. Giles