Ooit las ik een Duits woord dat ik als woord erg sfeervol vond, al was wat het aanduidde minder romantisch. Het ging over de dichter Hölderlin (1770 – 1843) die de laatste helft van zijn leven geestesziek zou zijn geweest. Deze periode werd Hölderlins Umnachtung genoemd: het omgeven zijn door nacht.
Nachtelijke riten
In de oudheid vonden religieuze riten veelal overdag plaats. Bij mysterierituelen was het echter gepast om die in het donker te houden; het woord ‘mysterie’ houdt mogelijk verband met een Grieks werkwoord dat ‘de ogen sluiten’ betekent.1 In Euripides’ tragedie Bacchae (Bakchen / Bacchanten) ondervraagt Pentheus, de heerser van Thebe, een vanuit het buitenland gearriveerde Dionysuspriester (die tevens Dionysus zelf is: een vorm van god-belichaming, of ‘channeling’? Of toch niemand anders dan de god die zich voordoet als mens?2). De vorst wil onder meer weten of de Dionysische riten overdag of ’s nachts plaatsvinden, en vindt het behoorlijk dubieus dat dat voornamelijk ’s nachts is. Dat ze zo populair zijn onder vrouwen maakt het helemaal bedenkelijk. Gebeuren daar dingen die het daglicht niet verdragen?3
Waarom ’s nachts? Dionysus zegt: “de duisternis heeft iets plechtstatigs.”4 Op mij maakt dit de indruk van een ontwijkend antwoord. Volgens mij wil hij niet aan een oningewijde vertellen waarom het nachtelijke aspect belangrijk is.

Verwilderde druivenranken in oktober. De wijnstok
is gewijd aan Dionysus.
Pentheus weigert te geloven aan de macht van de god Dionysus, en slaat de priester (de god) in de boeien. Vergeefs natuurlijk. Dionysus zorgt er voor dat Pentheus waanvoorstellingen krijgt en onder meer denkt dat het paleis in brand staat. Als die episode voorbij is, arriveert een herder die vertelt tot welke wonderen en gruweldaden hij de maenaden (aan Dionysus toegewijde vrouwen) onder invloed van de god in staat heeft gezien, zoals water uit een rots slaan en een bron van wijn doen ontstaan, runderen met blote handen uitelkaar trekken, en kinderen roven. De herder adviseert de koning om de goddelijkheid van Dionysus te erkennen, “want hij is groot in andere dingen, maar ook daarin, zegt men, dat hij, naar ik hoor, de mensen de wijnstok gaf die pijnen stilt. Wanneer er geen wijn meer is, bestaat er geen Liefde meer, noch enig ander middel dat de mensen laaft.”5
De koppige koning echter beschouwt de cultus van de god als een gevaarlijke subversieve beweging, die eerder streng verboden moet worden dan dat die erkenning verdient. Spoiler (nou, niet echt, toch?): het loopt slecht af met Pentheus.6
Een vreemde god
Het domein van Dionysus (die ook wel Bacchus heet) is in meer dan één opzicht ‘het andere’. De god is een vreemde god. Mythologie voor dummies kenschetst hem als “Dionysus, de gezellige god”, die “Erg leuke attributen” heeft, zoals de wijnrank, klimop, en maskers.7 Maar even verderop in dat handboek blijkt dat het bij deze god beslist niet allemaal even leuk en gezellig is.

Een masker dat ik begin jaren ’90 maakte. In privébezit.
Het woord ‘paradoxaal’ valt nogal eens als het over hem gaat. Hij laat zich, zoals ook bleek toen Pentheus hem gevangen wilde zetten, niet in een hokje stoppen. Volgens de mythe was hij weliswaar een kind van Zeus en Semele, een Griekse vrouw, wat hem een sterfeling zou maken, niet volledig god. De moeder kwam om toen de vrucht nog niet voldragen was en Zeus maakte de zwangerschap af door zijn eigen dij als baarmoeder in te richten. Het kind werd geboren met stierenhoorns op zijn hoofd8 en groeide op bij nimfen in het buitenland, met satyrs, centauren en de god Pan als speelkameraden. Een ongebruikelijke jeugd.
Pas toen hij was opgegroeid keerde hij terug naar de stad van zijn moeder. Hij ging exotisch gekleed in vrouwenkleren en dierenvellen, droeg parfum en een diadeem in zijn lange haar. Hij sprak met een meisjesstem.9 Allemaal erg on-Grieksemannelijk. Volgens de mythen was hij zelfs bereid om zich anaal te laten penetreren, wat in de klassieke cultuur voor een man het toppunt van minderwaardigheid was.10 Zijn riten vonden plaats in de wilde natuur, en vrouwen gingen hiertoe ’s nachts de deur uit om in de bergen te jagen, drinkend en zingend, dansend en lawaai makend, kortom allerlei ‘mannelijk’ gedrag vertonend. Zij werden maenaden (Μαινάδες, mainades) genoemd, wat ‘razenden’ of ‘waanzinnigen’ betekent. Mannelijke aanhangers droegen in navolging van de god vrouwenkleding.
Onwillekeurig komt mij hierbij het beeld voor ogen van Christopher Lee, extatisch en toch statig dansend aan het hoofd van de optocht in The Wicker Man (1973; onlangs nog te zien op BBC2).
Theater
In het Atheense theater, dat ontstond uit rituele zang en dans ter ere van Dionysus, werden alle rollen, dus ook de vrouwelijke karakters, gespeeld door mannen. In een podcast over Euripides11 merkte toneelschrijver Mark Ravenhill op dat het verschijnsel ‘mannen in jurken’12 kennelijk in tal van culturen een mengsel oproept van verschillende emoties. Verbazing, amusement, een gevoel van bevrijding; maar ook verwarring, spanning en onrust.
Toneelspelen is een vorm van bedrog, waarin niet op een rationele manier over dingen wordt gesproken maar wordt ingespeeld op de emoties, waardoor mensen in verwarring raken. Dat schijnt ongeveer de opvatting van Plato te zijn geweest, waar Aristoteles tegenin ging. Aristoteles stelde dat het emotionele meeleven van de toeschouwers met de tragische personages uiteindelijk niet tot verwarring leidde, maar tot een verhelderend therapeutisch effect dat hij catharsis noemde, een reiniging.
Grensoverschrijdingen
In het Romeinse rijk herkende men in Dionysus de eigen ongebreidelde druivengod Liber, de vrije god. Zoals inmiddels duidelijk mag zijn, was Dionysus een god die zich letterlijk en figuurlijk niet aan banden liet leggen. Hij bleef altijd een beetje een zwerver en een buitenstaander. Hij hield zich niet aan sociale conventies, zoals het toenmalige onderscheid tussen dominant-mannelijk en ondergeschikt-vrouwelijk.13 Zijn cultus was, niet verbazingwekkend, met name populair onder vrouwen en slaven. Hij kon de grens doen vervagen of wegvallen tussen wat normaal, verstandig en waar was, en irreëel of ‘bezopen’ (in een roes, extatisch, of waanzinnig).

In de tijd dat ik bezig was met mijn artikel, kwam ik voorbij deze kluisdeur vol grafitti. De naam Dionysus met daaronder het glas met druiven (?) trok mijn aandacht. Wat zou dit betekenen? ‘Dionysus was here’?
Of zou iemand de god hebben aangeroepen om het slot te laten openspringen?
In 186 v.C. werden in het Romeinse rijk de Bacchanalia als verderfelijke, immorele en staatsondermijnende invloeden gezien en werden er strenge regels voor uitgevaardigd. Voor elke samenkomst of het inrichten van een cultusplaats moest toestemming verkregen worden. Massabijeenkomsten waren niet toegestaan: er mochten maximaal vijf personen, waarvan maximaal twee mannen tegelijk aanwezig zijn. Deelnemers mochten geen magister of magistra (hogepriester/es) zijn en mannen bovendien geen sacerdos (priester), m.a.w. mannen mochten geen vrouwenkleding dragen. Op overtreding stond de doodstraf.14
Het vervagen van gangbare maatschappelijke normen is een bekend gegeven bij Dionysus’ meest bekende werkterrein, de wijn, of meer algemeen gezegd alcohol,15 of nog algemener drugs. Onmatigheid is een risico: iemand die veel drinkt, raakt daardoor niet verzadigd maar wil juist nog meer drinken. Drank wil nogal eens remmingen doen wegvallen, en dat kan prettig bevrijdend voelen en soms zelfs heilzaam zijn. Hetzelfde geldt voor het deel uitmaken van een grote groep gelijkgestemden. Maar het kan ook leiden tot bedreigende en riskante situaties. Of situaties die niet per se bevrijdend of onveilig zijn, maar wel absurd, lachwekkend, verwarrend of vervreemdend. Dionysus opent de deur voor alles wat als ‘niet normaal’ geldt.
Dromen en wanen
Voor dromen geldt eveneens dat ze zich zelden veel gelegen laten liggen aan ideeën over wat wel of niet realistisch en acceptabel is. Of dat nu gaat over feitelijke situaties, logische samenhang van gebeurtenissen, fysieke mogelijkheden of beleefde omgangsvormen. Freud noemde de droom een korte, onschuldige psychose16 en omgekeerd beschrijft Wouter Kusters in het boek Pure waanzin, gebaseerd op zijn eigen ervaringen, de manier waarop iemand de wereld beleeft tijdens een psychose in termen die aan dromen doen denken: “(…) gebeurtenissen uit het heden, verleden en de toekomst [cirkelen] door elkaar. Uit de omkeerbare processen leidt de psychoot af dat alles nog anders kan, voorlopig is, en eventueel kan worden teruggedraaid. (…) Voor hem is het alsof hij in een mythologische wereld buiten de tijd rondloopt, bevolkt door droomachtige archetypes en mythes.”17
In onze taal is een droom per definitie onwaar: ‘dromen zijn bedrog’. Misschien heb je een mooie droom waaruit je teleurgesteld ontwaakt: hè jammer, het was maar een droom. Maar het kan ook een nachtmerrie zijn waaruit je wakker schrikt en gerustgesteld moet worden: het is niet echt gebeurd, het was maar een droom! Het kan een dagdroom zijn waarmee iemand tijdelijk aan de dagelijkse werkelijkheid ontsnapt. Mogelijk is het een wensvoorstelling over de toekomst: “mijn droom is om ooit nog eens…”, of zoals dr. Martin Luther King zei: “I have a dream…” Maar zolang het een droom is, is het (nog) geen realiteit.
Realiteit van dromen
Toen ik als tiener aan een classicus vroeg wat het Latijnse woord voor ‘droom’ was, kreeg ik te horen dat er geen apart woord voor bestond. In plaats van “ik zag in mijn droom…” zei men kennelijk “ik zag in mijn slaap…” Voor de Romeinen, concludeerde ik, was het blijkbaar niet nodig om een woord voor dromen te hebben. Dromen waren eenvoudig de dingen die je slapend meemaakte. Wat de bedrieglijkheid of echtheid ervan betrof leek hun taal geen inherent verschil te maken met wat je wakend beleefde; het voornaamste verschil was dat je in het ene geval wakker was en in het andere sliep.
In een boek over culturele psychologie18 viel onlangs mijn oog op een intrigerend zinnetje: “We can own genes; Australian aborigines can own dreams.” (Het staat in een hoofdstuk over bezit.) De formulering suggereert dat dromen voor de oorspronkelijke Australische volkeren een verklaring voor iemands gedrag kunnen vormen: “Jij bent al net zo goed in schilderen als je tante; die creativiteit zit bij jullie vast in de dreaming.” Zoiets stel ik me er tenminste bij voor. De droomwereld zou voor Aboriginals even reëel zijn als genetica is voor Amerikanen en andere westerlingen.19
Betekenis in dromen

Niet alles is wat het lijkt, en niet alleen in dromen. Dit leek een ets van JanJaap Stigter, maar is waarschijnlijk een foto-offsetprint van een van zijn olieverfschilderijen.
In privébezit.
De mensheid heeft vanouds in dromen niet louter irrationele onzin gezien, maar zinvolle betekenissen vermoed. Niet in alle dromen, maar beslist in sommige. Homerus20 (ca. 8e eeuw v.C.) wees er al op dat sommige dromen uitkomen, maar andere niet, en in het boek over dromen van Artemidorus (2e eeuw n.C.) werd opgemerkt dat dromen in context bestudeerd moeten worden, en dat betekenissen niet altijd dezelfde zijn. Het was in Artemidorus’ tijd niet ongebruikelijk om de goden te vragen om een teken in een droom, in de trant van: “Als het antwoord positief is, laat me dan dromen van de gaven van Demeter; als het negatief is, van de gaven van Dionysus.” Maar als iemand ziek was en naar het verloop vroeg, en dan droomde van ongebakken broden (brood is een gave van Demeter), was de betekenis niet zo positief, waarschuwde Artemidorus, want omdat het brood nog de oven in moest, betekende dat dat de koorts zou stijgen.21
Voor Freud (1856 – 1939) was het evident: wat er in een droom gebeurde, was in wezen de vervulling van een verlangen, en dat verlangen was in veel gevallen seksueel van aard. De vervulde wens werd alleen nooit rechtstreeks uitgebeeld, omdat iets in onze geest controle bleef uitoefenen om dingen die overdag onacceptabel zouden zijn, te censureren en weg te stoppen in het onbewuste. Maar als je samen met Freud de droom ging analyseren, kon je uit de ‘manifeste droominhoud’ de ‘latente droominhoud’ achterhalen en ontdekken wat de achterliggende wens was. De zelfkennis die voortkwam uit het aan het licht brengen van deze verborgen waarheid zou de dromer helpen een geestelijk (en daarmee ook lichamelijk) gezondere mens te worden.
Vrijheid in het onbewuste
Voor surrealisten was het idee van een onbewuste waarin kennelijk een absolute vrijheid heerste, en waaruit zulke fantastische zaken als dromen voortkwamen, een aantrekkelijke gedachte. Zij wilden de beperkingen van het dagelijkse bestaan verrijken en aanvullen met de vrijheid en poëzie van het onbewuste, en ontwikkelden hiertoe onder meer de techniek van het automatische schrift. Maar ook dromen vormden een inspiratiebron. Uitgaand van Freuds theorieën werd aangenomen dat verlangens, met name seksuele begeerte, de weg wezen naar een kunst en een bestaan vrij van normatieve bekrompenheden. Erotische beelden speelden niet de enige, maar wel een onmiskenbare rol in de surrealistische kunst.

Het laatste restje van een overvloedige druivenoogst
uit eigen tuin.
Voor surrealisten als André Breton waren dromen reëel in die zin dat er geen religieus, paranormaal of ander bovennatuurlijk aspect aan werd toegekend; ze maakten eenvoudig deel uit van het geheel van menselijke ervaringen. Dat gegeven volstond om dromen niet als irrelevant bedrog terzijde te schuiven. De vrijheid van de droomwereld werd gezien als een waardevolle aanvulling op de beperkingen van de fantasieloze dagelijkse realiteit. Dromen maakten deel uit van een andere realiteit: de surrealiteit. De stijl van surrealistische schilderijen wordt soms ‘hyperrealistisch’ genoemd. Breton schijnt in zijn enthousiasme over de wereld van de droom zelfs zo ver te zijn gegaan, dat hij stelde dat het wakende bestaan eigenlijk niet meer was dan een toestand die het droomleven onderbrak.22
Niet zien, helder zien
Voor wie niet kan zien, is het in zekere zin altijd donkere nacht. Hierboven noemde ik al dat ‘mysterie’ mogelijk verband houdt met gesloten ogen. Wie in de zichtbare wereld blind is, kan zien in de onzichtbare wereld, is dikwijls gedacht. Odin offerde één oog op om geheime kennis te verkrijgen en Baron Samedi draagt een bril met één donker of gebroken glas, waardoor hij zowel in de wereld van de levenden als in de geestenwereld kan zien. De bekendste ziener uit de oudheid was de blinde Tiresias. Hij komt ook voor in Bacchae: hij komt in Thebe zijn oude vriend Cadmus, de grootvader van Dionysus, opzoeken om samen te gaan dansen ter ere van de god. Ze verzuchten allebei hoe heerlijk het is om zich op die manier weer jong te voelen.
Tiresias waarschuwt Pentheus, maar zoals gebruikelijk in tragedies, wordt de machthebber boos dat iemand een andere kijk op de situatie heeft dan hijzelf, en beschuldigt hij alle profeten, waarzeggers en soortgelijken, en Tiresias in het bijzonder, van misleiding en geld-uit-de-zak-klopperij. En zoals gebruikelijk in tragedies, zal blijken dat de blinde het helderst ziet, terwijl de ziende verblind is.
Anders zien
Als kind kon ik eens niet slapen en ging ik in bed liggen tekenen. Het flauwe schijnsel dat door het ventilatierooster onder in de deur kwam, was juist genoeg om mijn papier en viltstiften te kunnen onderscheiden. Maar toen het de volgende ochtend licht werd, bleek ik heel andere kleuren te hebben gebruikt dan ik dacht. Als ik toen het woord ‘surrealistisch’ had gekend, had ik dat zeker gebruikt.
Alles ziet er anders uit in de nacht, of je nu droomt of wakker bent.23 Als je wakker bent en het niet volledig donker is (en dat is het praktisch nooit), kun je nog wel wat zien. Maar de kleuren en scherpe details, die we overdag waarnemen met behulp van de cellen in het netvlies die kegeltjes worden genoemd, vallen weg. Als het donker wordt, zien we met de zogeheten staafjes, die lichtgevoeliger zijn. We zien dan als het ware in zwart-wit. De staafjes bevinden zich voornamelijk aan de rand van het netvlies en zijn daardoor ook de cellen waarmee dingen in de periferie van ons zicht worden waargenomen.
In maanlicht lijkt de wereld wel betoverd en veranderd in een sprookjeswereld in blauwtinten. Het dagelijkse bestaan met alle beslommeringen voelt veraf en onwerkelijk, en het onderscheid tussen heden, verleden en toekomst lijkt irrelevant geworden. De maan, de wolken, de takken van de bomen, het geritsel in de struiken: duizend jaar geleden was het zo en over duizend jaar zal het zo zijn. Wakend lijk je in een droom beland. Vanuit je ooghoek zie je een beweging in de schaduw: een dier, een mens, een… weerwolf? Recht ernaar kijkend zie je het niet meer.
Dag en nacht
De nacht heeft iets dubbels: het is een periode die rust brengt, of waardevolle inzichten die door het wakende bewustzijn van de hand worden gewezen nog voordat ze zich kunnen ontplooien. Maar tegelijk is het een periode die verontrust en angst oproept, en niet geheel ten onrechte. De dag wordt geassocieerd met het veilige rationele en nuttige, productieve, en de nacht met al het andere: het duistere, onzichtbare, geheime, verborgene; dromen, emoties, bijgeloof, roestoestanden, destructie, waanzin; gevaar.

In de herfst bloeit de klimop. Klimop is net als de wijnstok gewijd aan Dionysus, maar zou een tegengestelde werking hebben aan de wijn.
Nietzsche (1844-1900) stelde de kalme, beheerste sfeer van zonnegod Apollo tegenover de ongetemde, ongeremde, chaotische sfeer van Dionysus. In onzekere tijden is het voor velen verleidelijk om zich, om een gevoel van controle te behouden, vast te bijten in (vermeende) zekerheden, en alles wat die zekerheden lijkt te bedreigen te verwerpen, te blokkeren, uit te zetten, zonder er zelfs maar een seconde rustig en zo onbevangen en onbevooroordeeld mogelijk naar te willen kijken. Om het voortdurend ‘dag’ te willen laten zijn.
Net zo verleidelijk is het om uit verzet tegen het rationele (dat niet volstaat om alle onzekerheden het hoofd te bieden) de ‘dag’ dan maar geheel te verwerpen en troost te zoeken in drank of andere drugs, te vluchten in een droomwereld, of zich over te geven aan de roes van het niet-rationele, van het opgaan in een een gewelddadige groep die er al dan niet met fakkels op uit trekt, of het behoren tot een groep ‘ingewijden’ die een dieper waarachtiger inzicht in de werkelijkheid zouden hebben dan de doorsnee-persoon. Na verloop van tijd wordt zo’n benadering overigens zelf weer een zekerheid die men niet durft los te laten. De aanduiding ‘paradoxaal’ is al ter sprake gekomen.
Een nachtelijke blik
“In niets teveel” (μηδὲν ἄγαν), was het kernachtige advies van Solon, één van de Zeven Wijzen uit het oude Griekenland, dat net als ‘ken uzelf’ een opschrift geweest zou zijn in de tempel in Delphi.
Wat de nacht ons schenkt is het besef dat alles een andere kant heeft, anders bezien kan worden, en dat het de moeite waard kan zijn dat te onderzoeken. Maar doe dat, waarschuwt Euripides, met beleid. Erken het vreemde en dans, maar dans op een vreugdevolle wijze-oudemannenmanier, zonder jezelf als een Thebaanse maenade te verliezen in de collectieve roes, het machtige gevoel nu nergens meer door belemmerd te worden, en… ehm, laat ik zeggen: ‘het kind met het badwater weg te gooien’. Hopelijk kom je dan niet, wanneer de nacht ten einde loopt en de hemel lichter wordt, tot de onaangename ontdekking dat je in je ‘god-vervulde’ toestand van enthousiasme iets hebt gedaan wat niet kan worden teruggedraaid; dat je iets hebt vernietigd waar jij, en niet alleen jij, gesteld op was. Beter is het, te ontwaken met in je hand nog de wonderbloem, toverveer, of een ander geschenk dat je in je droom ontving.
Noten
1 “μύειν (see also μυέω, μύω): close one’s eyes, shut one’s eyes, shut the eyes / μυεῖν (see also μυέω, μύω): initiate in mysteries, instruct in mysteries” – Liddell, Scott, Jones Ancient Greek Lexicon (LSJ)
2 Meestal wordt gesteld dat de priester geheel en al Dionysus zelf is, die zich heeft vermomd als mens. Als ik de tekst lees, denk ik dat het eerder een mens is die de god optimaal ‘draagt’, in wie de god zich volledig manifesteert, die geheel één is geworden met de god. Het resultaat is hetzelfde: een mens die de god is, maar de weg ertoe verschilt. David Kovacs schrijft in de inleiding tot zijn vertaling van de tragedie: “As portrayed in Bacchae, our earliest substantial witness, it was a religion of ecstasy, centered upon the experience of oneness with the god and with the thiasos (congregation or coven) of his worshipers.” Euripides: Bacchae – Iphigenia at Aulis – Rhesus. Loeb Classical Library, Harvard University Press, Cambridge (Massachusetts) / London (England), 2002 (blz.2). Omdat Dionysus een menselijke moeder heeft, valt eventueel ook te beargumenteren dat hij weliswaar geheel goddelijk is, maar zo dicht bij de mensen staat dat hij tegelijk god en mens kan zijn. In het christendom wordt zoiets over Jezus gedacht. Over de laatste wordt echter, voor zover ik weet, niet gezegd dat hij niet alleen “ten volle een god (…) en allerzachtmoedigst” is, maar ook “allervervaarlijkst” (Bakchen; vertaling van Herman Altena (zie noot 4), blz.145, regels 860-861).
3 Uit Pentheus’ argwaan maak ik tenminste op dat de oude Atheners, voor wie dit toneelstuk werd geschreven en opgevoerd, het aannemelijk vonden dat iemand ervan uitging dat fatsoenlijke riten overdag plaatsvonden.
4 Vertaling van Herman Altena, in: Euripides: Ifigeneia in Aulis & Bakchen. Flamingo pockets, Ambo / Anthos uitgevers, Amsterdam, 2000 (blz.129, regel 486).
5 Vertaling van Herman Altena, (zie noot 4; blz.140-141, regels 770-774).
6 Op een aan Dionysus gewijde website wordt het lot van Pentheus geïnterpreteerd als een gewelddadige of gedwongen initiatie (“… one member of our discussion tonight talked about Pentheus as having been forcefully initiated…”). Ook meen ik ooit een opmerking van een moderne Dionysusaanhanger te hebben gelezen die de afloop mystiek interpreteerde, als een totaal verlies van het zelf in de godheid. ‘Pentheus’ is volgens deze zelfde persoon tevens een van de namen van de god zelf. De naam wordt etymologisch verklaard als ‘hij die lijdt’.
7 Christopher W. Blackwell & Amy Hackney Blackwell: Mythologie voor dummies. Pearson Eudcation Benelux, (z.p.) 2003/2006 (blz. 63 e.v.).
8 “(…) horns, which, we must suppose, were caused by Zeus’ tendency during his love affairs to adopt the shape, or the voice, of a bull.” Andrew Dalby: Bacchus. A biography. The J. Paul Getty Museum, 2004; Los Angeles, California (first published in the UK by The British Museum Press, London, 2003) (blz. 36).
9 Dit heb ik van een Dionysusaanhanger op Facebook, maar aangezien die pagina ‘alleen voor vrienden’ toegankelijk is, wil ik er niet naar verwijzen. De bron die daar wordt genoemd voor het meisjesachtige spreken is Nonnus: Dionysiaca.
10 Dionysus wilde de Hades bezoeken om zijn moeder uit de dood terug te halen, maar wist niet hoe daar te komen. De herder Prosymnus wilde hem de weg wel wijzen als hij plechtig beloofde dat ze bij zijn terugkomst op die manier seks zouden hebben. Dat beloofde hij, maar toen hij terugkwam was Prosymnus dood. Toen maakte Dionysus een houten fallus om op het graf van Prosymnus zijn belofte gestand te doen. Andrew Dalby (zie noot 8; blz. 111, 116) beschrijft dit als een vereiste ‘rite of passage’ om het dodenrijk te kunnen bezoeken en er ook weer uit terug te kunnen komen, vergelijkbaar met Hercules’ (Herakles’) inwijding in de mysteriën van Eleusis. Echt iets voor de vreemde Dionysus om dat dan achteraf te doen, als hij al terug is.
11 Nathalie Haynes Stands Up for the Classics (Series 4): Euripides.
12 Let wel: dit gaat over travestie. Niet over transseksualiteit.
13 “Bacchus was seen by Greeks and Romans as having a very strange personality – an ‘unusual sexual persona’ is how we might describe it. He spent his time in dances and with troops of girls, says Diodorus of Sicily with a natural undertone of surprise. Such behaviour was quite abnormal in Greece. A young man ought to spend his time with other young men and with younger boys; he certainly ought not to laze around indoors with girls.” – Andrew Dalby: Bacchus. A biography (zie noot 8; blz. 51).
14 Joke en Ko Lankester: Dionysos, de vegetatiegod. A3 boeken, Geesteren, 2015 (blz. 59).
15 Dit gaat niet helemaal op in Rusland, als ik Jelle Brandt Corstius mag geloven. In Rusland voor gevorderden schetst hij een beeld van een land waar stevig doordrinken tot alle flessen leeg zijn de norm is waar iemand alleen onderuit komt met een medisch excuus: “ik ben herstellend alcoholist,” en dronkenschap de regel, zodat je naar een speciaal uitzendbureau moet als je bijvoorbeeld een loodgieter zoekt die gegarandeerd niet dronken is. Jelle Brandt Corstius: Rusland voor gevorderden. Berichten van een overlever. Prometheus, Amsterdam, 2008 (7e druk, 2009).
16 José Jiménez: Surrealism and the Dream. Museo Thyssen-Bornemisza, Madrid, 2013 (blz. 28).
17 Wouter Kusters: Pure waanzin. Een zoektocht naar de psychotische ervaring. Uitgeverij Nieuwezijds, Amsterdam, 2004 (blz. 63-64).
18 Walter J. Lonner & Roy S. Malpass: Psychology and Culture. Allyn and Bacon, Boston etc. 1994, blz. 56.
19 Er is veel geschreven over de ‘Droomtijd’ van de Aboriginals, maar die term schijnt nogal eens verkeerd te worden begrepen. Ik hoop het begrip Dreaming geen onrecht te doen in mijn interpretatie. De ‘vertaling’ van het bedoelde spirituele concept als ‘Droomtijd’ roept vanwege het stukje ‘-tijd’ een verkeerd beeld op, waarschuwt een website over Aboriginalkunst. Volgens die website refereert ‘time’ aan een verleden volgens een lineaire tijdsopvatting. Ik weet niet of dat per se het geval is. Wat mij betreft kan de tijd in ‘Droomtijd’ het net zo goed het ‘eens’ zijn als in “er was eens…”.
20 Homerus: Odyssee, boek XIX, regel 595 en verder, in de vertaling van H.J. de Roy van Zuydewijn (Odyssee. De terugkeer van Odysseus. De Arbeiderspers, Amsterdam / Antwerpen, 1992; derde druk 2000):
“Hem sprak de wijze Penelope toe en gaf hem ten antwoord:
“Dromen zijn duister, mijn vriend; het is moeilijk er zin aan te geven.
Zeker wordt lang niet iedere droom vervuld voor de mensen.
Dromen zijn vaag en ongrijpbaar en komen door twee poorten tot ons.
De ene poort is van hoorn, de andere poort van ivoorwerk.
Dromen die ons door de poort van gezaagd ivoorwerk bereiken
zijn maar bedrog en brengen een boodschap die ijdel zal blijken.
Maar door de andere poort, die van gladgeschaafd hoorn, gaan de dromen
welke voor elk die ze ziet volledig vervuld zullen worden.”
21 Jovan Bilbijja & Jaap-Jan Flinterman: ‘Gedroomde goden: religieuze voorstellingen in de Oneirocritica van Artemidorus’. Lampas, Jaargang 40 nummer 1, februari 2007, blz. 33-34
22 José Jiménez: Surrealism and the Dream (zie noot 13; blz. 21).
23 Tenzij overal om je heen helder licht brandt wanneer je ’s nachts wakker bent. Maar dan is het niet echt nacht. Dat is eerder een kunstmatig verlengde dag.