Ariadne verlangde naar haar God, hij stond
voor haar met één voet in het opkomende tij
en de andere op het witte zand. Zijn brede
schouders verduisterden gedeeltelijk het licht
van de ondergaande zon, hij werd haar zon
en reikte het mes
Alles klaar voor het heilige huwelijk en de
liefde die erin schemert; Dionysos op zijn
knieën hief de bokaal. Haar ogen staarden
naar het glinsterende rode vocht, de draai
van de verleiding en de weerspiegeling van
de zon
De Bacchanten dansten wild; meeslepende
lachen, de sfeer van lust, de zindering, de
verleiding naar vrolijkheid en de betovering
van de nacht. Dionysos reikte naar haar
heupen, kuste haar voeten, haar knieën en
mompelde magische woorden
Het werd een dans van liefde, waarheid en
plezier; en altijd voortdurende gelukzaligheid.
Geneugten op de loer in de schemering tot
aan de dageraad. De magie van verlangen
naar een gouden zon, de geur van jasmijn,
velden vol bloeiende lavendel
Nog slechts een wachten op de aan de horizon
rijpende graanvelden, bloeiende weilanden en
appelbomen die vrucht dragen. Met daarin
de kennis en de belofte van een oneindigheid
in vervuld verlangen en de wereld draaide
verder – om haar as.
© Annemarie Kruit
